direct naar inhoud van 3.2 Europees- en Rijksbeleid
Plan: Buitengebied, Recreatieterrein Kalverland, Eck en Wiel
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0214.BUIBP20100001-vi01

3.2 Europees- en Rijksbeleid

Beleidskader en Wro

Op 1 juli 2008 is de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Deze gaat uit van een scheiding tussen beleid en normstelling (juridische verankering). Het beleid wordt opgenomen in structuurvisies. Normstelling vindt plaats in het bestemmingsplan en/of in algemene regels die overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen.

Streekplannen en planologische kernbeslissingen zijn vanaf 1 juli 2008 gelijkgesteld aan structuurvisies. Het overgangsrecht van de Wro regelt dat concrete beleidsbeslissingen van Rijk en provincie overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. De Nota Ruimte bevat geen concrete beleidsbeslissingen. De inhoud van het bestemmingsplan moet echter nog steeds in overeenstemming zijn met de Nota Ruimte en het provinciale ruimtelijke beleid. In dit hoofdstuk wordt voor dit bestemmingsplan hierop nader ingegaan. Het Rijk werkt momenteel aan een vertaling van hun beleid in algemene regels in de AMvB Ruimte. De AMvB Ruimte is nog niet in werking getreden. Daarom is volstaan met het toetsen van dit bestemmingsplan aan het vigerende beleidskader. De provincie heeft de provinciale verordening reeds vastgesteld. Hieraan is dit bestemmingsplan ook getoetst.

Nota Ruimte (2006)

In de Nota Ruimte worden vier algemene doelen geformuleerd: versterking van de internationale concurrentiepositie van Nederland, bevordering van krachtige steden en een vitaal platteland, borging en ontwikkeling van belangrijke (inter)nationale ruimtelijke waarden en borging van de veiligheid.

De Nota Ruimte zet onder meer in op het volgende:

  • efficiĆ«nt en zo mogelijk meervoudig ruimtegebruik, echter geen rode contouren om de kernen;
  • gemeenten moeten de mogelijkheid hebben om de eigen natuurlijke aanwas op te vangen;
  • veel sterker sturende rol van water bij de ruimtelijke inrichting;
  • ruimte voor de recreatiesector om zich tot een economische drager van (delen) van het platteland te ontwikkelen.

Op complexen van recreatiewoningen, waar het recreatieve gebruik van deze recreatiewoningen door middel van een bedrijfsmatige exploitatie kan worden verzekerd, kan een positieve planologische beoordeling worden gegeven voor nieuwe recreatiewoningen. Onder bedrijfsmatige exploitatie wordt in dit kader verstaan het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie, dat in de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief gebruik plaatsvindt. De recreatiewoningen van dergelijke complexen hoeven niet te voldoen aan de wet- en regelgeving voor reguliere woningbouw. De exploitant en gemeente zijn ervoor verantwoordelijk dat permanente bewoning op het complex wordt tegengegaan.

Nationaal landschap Rivierenland

Met de aanwijzing van de Nationale Landschappen wordt beoogd de kwaliteit van het landschap in deze gebieden te behouden en te versterken. Dat gebeurt door investeringen te doen in behoud, beheer en versterking van het landschap zelf, in het behoud en versterking van de herkenbaarheid van de cultuurhistorie en in de toegankelijkheid en beleefbaarheid van het landschap.

Een Nationaal Landschap is geen 'museumlandschap'. Een mooi landschap heeft vitale functies nodig. Economische functies in het landschap kunnen zich, binnen de grenzen van het ruimtelijk beleid, normaal blijven ontwikkelen. 'Behoud door ontwikkeling' is dan ook het uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid in de Nationale Landschappen.

De Nota Ruimte geeft voor elk Nationaal Landschap een aantal kernkwaliteiten aan. Voor het rivierengebied zijn dat:

  • schaalcontrast van zeer open naar besloten;
  • samenhangend stelsel van rivier-uiterwaard-oeverwal-kom;
  • samenhangend stelsel van hoge stuwwal-flank-kwelzone-oeverwal-rivier.

De provincies zijn verantwoordelijk voor de uitwerking van het beleid voor Nationale Landschappen.