direct naar inhoud van 4.3 Milieu
Plan: Buitengebied, Recreatieterrein Kalverland, Eck en Wiel
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0214.BUIBP20100001-vi01

4.3 Milieu

4.3.1 Bedrijven en milieuzonering

Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies:

  • ter plaatse van woningen en andere gevoelige functies een aanvaardbaar woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in bestemmingsplannen de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies met betrekking tot milieu in voldoende mate mee te nemen wordt gebruikgemaakt van milieuzonering. Deze milieuzonering vindt plaats aan de hand van een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Dit is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. De Staat van Bedrijfsactiviteiten is overgenomen uit de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Deze Staat gaat uit van het aanhouden van richtafstanden tussen bedrijfsactiviteiten en milieugevoelige functies. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'; voor andere omgevingstypen dan een rustige woonwijk kunnen kleinere richtafstanden worden gehanteerd.

Onderzoek en conclusie

Een kampeerterrein of vakantiecentrum wordt gezien als een milieubelastende functie. In de VNG-publicatie is daarvoor een richtafstand van 50 m opgenomen die geldt ten opzichte van een rustige woonwijk (categorie 3.1). Deze afstand moeten worden aangehouden op grond van mogelijk geluidshinder. Milieuzonering is echter niet van toepassing op bestaande situaties. Aangezien in de huidige situatie reeds sprake is van een verblijfsrecreatieve bestemming zijn de richtafstanden niet van toepassing. De uitbreiding van het terrein met recreatiewoningen komt ook niet op kortere afstand van omliggende woningen te liggen. Voor de uitbreiding met het dagrecreatieterrein aan de noordzijde van het plangebied geldt dat de ontwikkeling van dagrecreatieve voorzieningen mogelijk wordt gemaakt zoals midgetgolf, jeu de boules en wandelpaden. Het terrein wordt enkel gebruikt voor extensieve vormen van dagrecreatie in het groen. Er worden geen gebouwde voorzieningen zoals horeca toegestaan, zodat er geen sprake zal zijn van milieuhinder in de omgeving van het dagrecreatieterrein. Er is als gevolg van het plan wel sprake van een verbetering van het woon- en verblijfsklimaat in de omgeving van het recreatieterrein. Bij herinrichting van het terrein zullen de centrale voorzieningen zoals het zwembad, het centrale parkeerterrein en het restaurant namelijk op grotere afstand van de woningen ten zuiden van het plangebied komen te liggen. Aangezien deze voorzieningen relevant zijn voor de geluidsbelasting in de omgeving van het terrein zal er sprake zijn van een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Overige verbeteringen voor het woon- en leefklimaat als gevolg van het plan worden in de overige paragrafen beschreven. Geconcludeerd wordt dat in de omgeving van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.3.2 Bodem

Normstelling en beleid

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is een onderzoek noodzakelijk naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de betreffende functiewijziging. Nieuwe bestemmingen (waarin de uitbreiding van het huidige terrein voorziet) dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

De provincie hanteert bij de beoordeling van projecten de richtlijn dat voorafgaand aan de formele besluitvorming over het bestemmingsplan ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, wordt verricht. Indien uit het historisch onderzoek blijkt dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht.

Onderzoek

Op basis van het eerste deel van het verkennende bodemonderzoek en de terreininspectie3 uitgevoerd door het ingenieursbureau BOOT B.V. kan worden geconcludeerd dat de onderzoekslocatie (uitbreiding van het huidige terrein) als onverdacht kan worden beschouwd en conform de onverdachte-strategie volgens de NEN 5740 onderzocht kan worden (zie Bijlage 2). Gezien het voormalig gebruik van de locatie als boomgaard en de naastgelegen boomgaard wordt geadviseerd om ten behoeve van de bouwvergunningen in de toekomst de bovengrond naast de analyses volgens de onverdachte strategie aan te vullen met analyses op bestrijdingsmiddelen (OCB's). Als extra aandachtspunt is het aanwezige puinverharde pad te noemen. Deze paden (met meer dan 25% puin) worden niet gezien als bodem, maar zijn wel asbestverdacht.

Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkelingen in dit bestemmingsplan. Ten behoeve van de bouwvergunning(en) is wel nader onderzoek nodig.

4.3.3 Externe veiligheid

Normstelling en beleid

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

In het externe veiligheidsbeleid wordt doorgaans onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting of langs een vervoersas. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.

Bedrijvigheid

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het Besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft. Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties.

Vervoer gevaarlijke stoffen

In de Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (RVGS) is het externe veiligheidsbeleid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over water, wegen en spoorwegen opgenomen. Op basis van de Circulaire geldt voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten van 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als een richtwaarde. Op basis van de Circulaire geldt bij een overschrijding van de oriëntatiewaarde voor het GR of een toename van het GR een verantwoordingsplicht. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als nieuwe situaties. De Circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Vooruitlopend op de vaststelling van het Besluit Transportroutes Externe Veiligheid is de Circulaire per 1 januari 2010 gewijzigd. Met deze wijziging zijn de veiligheidsafstanden en plasbrandaandachtsgebieden uit het Basisnet Weg en Basisnet Water opgenomen in de Circulaire.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen in werking getreden. In dat besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering.

Onderzoek

Bedrijvigheid

In het plangebied zijn geen Bevi-inrichtingen gevestigd. In de omgeving van het plangebied is wel een lpg-tankstation (Balvers BV) gesitueerd op het perceel aan de Veerweg 14 te Eck en Wiel. Uit de gegevens van de provinciale risicokaart blijkt dat de doorzet van het lpg-tankstation is vastgelegd op 999 m³ per jaar. Dit leidt tot een PR 10-6-contour van 45 m ten opzichte van het vulpunt. Het invloedsgebied van het GR bedraagt 150 m. De afstand tot het plangebied bedraagt circa 500 m. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het lpg-tankstation geen beperking oplevert voor de externe veiligheidssituatie in het plangebied.

Vervoer gevaarlijke stoffen

Over de Neder-Rijn vindt in beperkte mate vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Deze rivier ligt op meer dan 500 m vanaf het plangebied en de relevante PR-contouren (10-6en 10-8) zijn in de Risicoatlas Hoofdvaarwegen Nederland (AVIV, 2003) op 0 m vanaf de rivier aangeduid. Derhalve kan geconcludeerd worden dat het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Neder-Rijn geen beperking oplevert voor de externe veiligheidssituatie in het plangebied.

Buisleidingen

Aan de westzijde van het recreatieterrein loopt een aardgastransportleiding. Het betreft een leiding met een diameter van 8 inch en een ontwerpdruk van 40 bar. Deze aardgastransportleiding heeft een zakelijk rechtstrook van 4 m. In tabel 4.1 zijn de kenmerken en de van toepassing zijnde afstanden opgenomen.

Tabel 4.1 Kenmerken Aardgastransportleiding W 526-01

leiding   diameter   druk   afstand PR 10-6-contour (m)   inventarisatie-afstand GR (m)   zakelijk rechtstrook  
aardgastransportleiding W 526-01   8"   40 bar   0 m   95 m   4 m  

Uit de provinciale risicokaart blijkt dat de PR 10-6-contour voor deze aardgastransportleiding 0 m bedraagt. Er wordt derhalve voldaan aan grenswaarde voor het PR. Voor de leiding is in het plan een zakelijk rechtstrook opgenomen waarbinnen nieuwe bebouwing niet zonder meer mogelijk is. Ten aanzien van de stacaravans die in de huidige situatie binnen de belemmerde strook zijn gelegen, wordt in overleg met de Gasunie beoordeeld in hoeverre deze kunnen worden gehandhaafd op deze locatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0214.BUIBP20100001-vi01_0005.png"

Ligging aardgastransportleiding W526-01 (bron: www.risicokaart.nl)

Uit de bovengenoemde brief van de Gasunie volgt dat de inventarisatieafstand voor het GR 95 m aan beide zijden van de leiding bedraagt. Aangezien binnen het plangebied een kwaliteitsverbetering mogelijk wordt gemaakt en onder meer sprake is van de realisatie van vervangende bebouwing, heeft het bestemmingsplan geen gevolgen voor de hoogte van het GR. Er is immers sprake van een lager aantal verblijfsrecreatieve eenheden, waardoor de personendichtheid binnen het invloedsgebied in geen geval zal toenemen. Voor het deel van het plangebied waar dagrecreatie mogelijk wordt, geldt dat dit buiten de inventarisatieafstand van de aardgastransportleiding is gelegen. Ook de uitbreiding van het dagrecreatieterrein is niet van invloed op de hoogte van het GR. Omdat er geen sprake is van een toename van het GR kan in het kader van de verantwoording van het groepsrisico worden volstaan met een beschrijving van de mogelijkheden tot bestrijding en beperking van rampen en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen in het plangebied.

Mogelijkheden tot bestrijding en beperking van rampen

In het kader van de voorbereiding van het bestemmingsplan is overleg gevoerd met de brandweer. Als gevolg van de beoogde interne ontsluitingsstructuur zal de bereikbaarheid worden verbeterd. Op het recreatieterrein zal een drinkwaterleiding worden aangelegd waar ondergrondse brandkranen (primaire bluswatervoorziening) op kunnen worden aangesloten met een waterlevering van 30 m³/u. De secundaire bluswatervoorziening bestaande uit geboorde putten of open water zal in overleg met de brandweer aangelegd worden. Het inrichtingsplan voor het recreatieterrein zal daarom voor advies worden voorgelegd aan de brandweer.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid van personen in het plangebied

De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in staat zijn om op eigen kracht zich in veiligheid te brengen in geval van een calamiteit. Daarbij speelt de aanwezigheid van vluchtwegen een rol en de mate waarin de aanwezige personen in staat zijn om te vluchten. Het recreatieterrein zal, na herinrichting beschikken over een duidelijke wegenstructuur waarlangs aanwezige personen van de leiding af kunnen vluchten. De doelgroep bestaat uit recreanten, zodat er geen sprake is van gebruik door doelgroepen die bestaan uit verminderd tot niet-zelfredzame personen. De recreanten die gebruikmaken van het terrein zullen door de parkbeheerder worden voorgelicht over de risico's van de buisleiding en over hoe zij moeten handelen ingeval van een incident.

Conclusie

In een deel van het plangebied is een hogedrukaardgastransportleiding aanwezig. Binnen het invloedsgebied worden ten opzichte van de bestaande situatie geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt en is er als gevolg van het plan geen toename van het GR. Door middel van het opnemen van een zakelijke rechtstrook met bijbehorende regels is een ongestoorde ligging van de leiding gewaarborgd. Er wordt geconcludeerd dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Bij de herinrichting van het plangebied zal rekening worden gehouden met de ligging van de aardgastransportleiding en zal nader overleg worden gevoerd met de Gasunie en de brandweer.

4.3.4 Geluid

Wettelijk worden recreatieve verblijfseenheden niet aangemerkt als geluidsgevoelige functies ingevolge de Wet geluidhinder. Wel dient uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau nabij het recreatieterrein.

Er is in de huidige situatie geen sprake van grote geluidshinder in het plangebied. De provinciale weg N835 is op relatief grote afstand (> 200 m) gelegen en kent een relatief lage verkeersintensiteit. De geluidsbelasting als gevolg van verkeer op deze weg zal dan ook veel minder bedragen dan de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De 48 dB-contour van de N835 ligt namelijk op circa 55 m uit de wegas (zie Bijlage 3). Ook ten aanzien van de overige omliggende wegen zoals de Kalverlandseweg zal geen sprake zijn van geluidshinder of het overschrijden van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De intensiteit op de Kalverlandseweg blijft beperkt tot circa 1.500 mvt/etmaal. Tevens ligt deze weg eveneens op relatief grote afstand van de recreatieve verblijfseenheden (> 100 m). De 48 dB-contour van de Kalverlandseweg is gelegen op circa 20 m uit de wegas (zie Bijlage 3). Hierdoor zullen de geluidsniveaus op minimaal 100 m afstand aanzienlijk lager liggen dan 48 dB nabij het recreatieterrein. Er is dan ook sprake van een aanvaardbaar geluidsniveau.

4.3.5 Geur

Bij het ontwikkelen van geurgevoelige objecten in de omgeving van veehouderijen, moet beoordeeld worden waar ontwikkelingen kunnen plaatsvinden zonder dat de rechten van veehouders worden aangetast. Ook moet ter plaatse van de ontwikkeling een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Het voornemen tot herinrichting en kwaliteitsverbetering van het bestaande recreatieterrein geeft aanleiding tot het onderzoeken van de invloedssfeer van omliggende veehouderijbedrijven op het plangebied.

Beleid en normstelling

Het toetsingskader voor de geurbelasting wordt gevormd door de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De Wgv geeft normen (in odour-units per kubieke meter lucht) voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object4, deze zijn weergegeven in tabel 4.2. Daarnaast gelden er, ongeacht de diercategorie, minimale afstanden tussen veehouderijen en geurgevoelige objecten.

Tabel 4.2 Normen volgens Wgv

  binnen de bebouwde kom   buiten de bebouwde kom  
concentratiegebieden   3,0 (in ouE/m³)   14,0 (in ouE/m³)  
niet-concentratiegebieden   2,0 (in ouE/m³)   8,0 (in ouE/m³)  

Geurverordening gemeente Buren

De gemeente Buren heeft een geurverordening en een geurgebiedsvisie opgesteld overeenkomstig de mogelijkheden die de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) biedt. Beiden zijn vastgesteld op 14 december 2010. In deze geurverordening zijn geurnormen opgenomen waarmee wordt afgeweken van de wettelijke normen uit de Wgv. De geurverordening wordt onderbouwd met de gebiedsvisie. De normen voor geurhinder worden uitgedrukt in ouE/m³ (odeur units per m³). In de ontwerpgeurverordening is bepaald dat de maximale waarde van de geurbelasting van een individuele veehouderij ter plaatse van een geurgevoelig object binnen het plangebied 5 ouE/m³ bedraagt in plaats van 2 ouE/m³.

Onderzoek en resultaten

Het plangebied ligt niet in een concentratiegebied5. In Bijlage 4 is het geuronderzoek opgenomen dat voor het bestemmingsplan is uitgevoerd. In het onderzoek wordt er van uitgegaan dat het plangebied in termen van de Wet geurhinder en veehouderij en gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State6 wordt getypeerd als 'bebouwde kom'. Daarom zou de maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderijbedrijf ter plaatse van een geurgevoelig object 2,0 ouE/m³ zou bedragen. Op grond van de geurverordening bedraagt deze maximale geurbelasting 5 ouE/m³.

Ontwikkelingsmogelijkheden veehouderijbedrijven

Op grond van de informatie uit Bijlage 4 wordt geconcludeerd dat de beide veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied, gelegen aan de Kalverlandseweg 11 en Dreef 1, als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan niet verder in hun bedrijfsvoering worden beperkt. In het plangebied wordt vervangende nieuwbouw van recreatie-eenheden mogelijk gemaakt. Er is, gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State7, geen sprake van een functiewijziging (met uitzondering van de uitbreiding, zie onder) omdat op grond van het huidige bestemmingsplan al verblijfsrecreatie is toegestaan. Omdat het huidige recreatieterrein deels binnen de 5,0 ouE/m³ geurcontouren van de beide veehouderijbedrijven is gelegen, hebben de bedrijven in de huidige situatie geen uitbreidingsmogelijkheden. Het plan maakt geen nieuwe recreatiewoningen mogelijk op kortere afstand van de veehouderijbedrijven. De afstand van de vervangende nieuwbouw tot de veehouderijen zal licht toenemen als gevolg van de groenbestemming aan de randen van het plangebied.

Het plan voorziet in een uitbreiding van het recreatieterrein met een deel verblijfsrecreatie en een deel dagrecreatie. De uitbreiding met verblijfsrecreatie bevindt zich ten zuiden van het beoogde dagrecreatieterrein. De uitbreiding met verblijfs- en dagrecreatie is buiten de 5 ouE/m³ geurcontouren gelegen, waardoor er geen sprake is van een toename van het aantal eenheden voor verblijfsrecreatie binnen de 5 ouE/m³ geurcontouren van beide veehouderijbedrijven. De beide veehouderijbedrijven worden als gevolg van het bestemmingsplan dan ook niet verder in hun bedrijfsvoering beperkt.

Beoordeling leefklimaat

In de ontwerpgebiedsvisie wordt het leefklimaat binnen het recreatiegebied Kalverland op basis van de gemiddelde achtergrondbelasting als zeer goed beoordeeld. Ter plaatse van een voorgrondbelasting van 5,0 ouE/m3 of meer wordt het leefklimaat als tamelijk slecht tot slecht beoordeeld. Dit geldt echter maar voor een klein deel van het recreatieterrein waar vervangende nieuwbouw van recreatiewoningen mogelijk wordt gemaakt. Daarbij is van belang dat in de bestaande situatie reeds sprake is van een verblijfsrecreatieterrein dat wordt omringd door agrarisch gebied. Er is geen sprake van een toename van de geurbelasting ter plaatse van de recreatiewoningen. Als gevolg van de herinrichting en kwaliteitsverbetering zal het aantal potentieel geurgehinderden per saldo afnemen omdat het aantal verblijfseenheden wordt teruggebracht van 425 in de huidige situatie naar 300 in de toekomstige situatie. Als gevolg van de uitvoering van het plan zal de geursituatie daarom worden verbeterd. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar verblijfs- en leefklimaat.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat in het plangebied vanuit het oogpunt van geurhinder sprake is van een aanvaardbaar verblijfs- en leefklimaat. Tevens wordt geconcludeerd dat de beide bestaande veehouderijbedrijven in de omgeving van het plangebied niet verder in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Het aspect geurhinder staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.3.6 Luchtkwaliteit

Luchtkwaliteit

Beleid en normstelling

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). De Wlk bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.3 weergegeven. De grenswaarden gelden voor de buitenlucht, met uitzondering van een werkplek in de zin van de Arbeidsomstandighedenwet.

Tabel 4.3 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde   geldig  
stikstofdioxide (NO2)1)   jaargemiddelde concentratie   60 µg/m³   2010 tot en met 2014  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 2015  
fijn stof (PM10)2)   jaargemiddelde concentratie   48 µg/m³   tot en met 10 juni 2011  
  jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer per jaar meer dan 75 µg/m³   tot en met 10 juni 2011  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m³   vanaf 11 juni 2011  

1) De toetsing van de grenswaarde voor de uurgemiddelde concentratie NO2 is niet relevant aangezien er pas meer overschrijdingsuren dan het toegestane aantal van 18 per jaar zullen optreden als de jaargemiddelde concentratie NO2 de waarde van 82 µg/m³ overschrijdt. Dit is nergens in Nederland het geval.

2) Bij de beoordeling hiervan blijven de aanwezige concentraties van zeezout buiten beschouwing (volgens de bij de Wm behorende Regeling beoordeling Luchtkwaliteit 2007).

Op grond van artikel 5.16 van de Wlk kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien:

  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a);
  • de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1);
  • bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2);
  • de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c);
  • het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d).

Besluit niet in betekenende mate (nibm)

In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10;
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of niet meer dan 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een bestemmingsplan vanuit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Onderzoek en conclusie

In het plangebied wordt een recreatiepark uitgebreid en heringericht; de uitbreiding heeft geen betrekking op het aantal verblijfseenheden. Gezien het feit dat deze ontwikkeling nauwelijks een verkeersaantrekkende werking zal hebben (het aantal verblijfsrecreatieve eenheden neemt niet toe), kan zonder verder onderzoek geconcludeerd worden dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Het project hoeft dan ook niet te worden getoetst aan de grenswaarden uit de Wet Luchtkwaliteit.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is wel nagegaan wat de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is. Met behulp van de saneringstool (www.saneringstool.nl) die behoort bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) kan voor diverse prognosejaren inzicht worden gegeven in de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 langs relevante wegen. In dit geval is nagegaan wat de concentraties zijn in de directe omgeving van de Provinciale weg N320 aangezien dit een maatgevende weg is voor luchtkwaliteit in de omgeving van het plangebied. De Veerweg is niet opgenomen in de saneringstool. Aangezien deze weg een lagere verkeersintensiteit heeft zullen de concentraties van luchtverontreinigende stoffen langs deze weg niet hoger liggen.

Uit de saneringstool blijkt dat in 2011 de jaargemiddelde concentratie NO2 direct langs de N320 ter hoogte van het plangebied 21,15 µg/m³ bedraagt. Voor PM10 geldt dat de jaargemiddelde concentratie in 2011 maximaal 24,12 µg/m³ bedraagt. In deze concentratie is de bijdrage van de overige bronnen verwerkt. Geconcludeerd wordt dat in de directe omgeving van de Provinciale weg N320 aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit wordt voldaan. Dit zal ook het geval zijn ter plaatse van het plangebied aangezien de concentraties van luchtverontreinigende stoffen afnemen naarmate de afstand tot de weg toeneemt. De Wlk staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.3.7 Flora en Fauna

In deze paragraaf is de bestaande situatie vanuit ecologisch oogpunt beschreven en is vermeld welke ontwikkelingen dit bestemmingsplan beoogt. Vervolgens is aangegeven waaraan deze ontwikkelingen - wat ecologie betreft - moeten worden getoetst. Hierbij is een onderscheid gemaakt tussen het toetsingskader dat wordt gevormd door het beleid van Rijk en provincie, en het toetsingskader dat door wettelijke regelingen wordt bepaald.

Bestaande situatie en beoogde ontwikkelingen

Het plangebied bestaat uit een recreatieterrein aan de rand van een kleine kern. Het plangebied bestaat uit grasvelden met veel opgaand groen en verspreid liggende watergangen. Over het recreatiepark liggen verschillende paden en wegen.

Het recreatiepark zal heringericht worden en derhalve wordt een aantal sloten gedempt, terwijl elders watergangen worden gegraven. Ook zal een deel van het opgaand groen verdwijnen. Om dit te kunnen realiseren zijn de volgende werkzaamheden gepland:

  • dempen sloten;
  • rooien struweel en enkele bomen;
  • grondwerkzaamheden;
  • inrichten gebied met onder andere beplanting.

Toetsingskader

Beleid

Het Structuurschema Groene Ruimte (SGR) geeft het beleidskader voor de duurzame ontwikkeling en een verantwoord toekomstig grondgebruik in de vorm van onder andere de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). De EHS is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones. De EHS is op provinciaal niveau uitgewerkt in de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS).

Normstelling

Flora- en faunawet

Wat de soortenbescherming betreft is de Flora- en faunawet van belang. Deze wet is gericht op de bescherming van dier- en plantensoorten in hun natuurlijke leefgebied. De Flora- en faunawet bevat onder meer verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De wet maakt hierbij een onderscheid tussen 'licht' en 'zwaar' beschermde soorten. Indien sprake is van bestendig beheer, onderhoud of gebruik, gelden voor sommige, met name genoemde soorten, de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet niet. Er is dan sprake van vrijstelling op grond van de wet. Voor zover deze vrijstelling niet van toepassing is, bestaat de mogelijkheid om van de verbodsbepalingen ontheffing te verkrijgen van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Voor de zwaar beschermde soorten wordt deze ontheffing slechts verleend, indien:

  • er sprake is van een wettelijk geregeld belang (waaronder het belang van land- en bosbouw, bestendig gebruik en dwingende reden van groot openbaar belang);
  • er geen alternatief is;
  • geen afbreuk wordt gedaan aan een gunstige staat van instandhouding van de soort.

De Flora- en faunawet is in zoverre voor de onderhavige ontwikkeling van belang, dat bij de voorbereiding van het plan moet worden onderzocht of deze wet de uitvoering van de ontwikkeling niet in de weg staat. De Flora- en faunawet staat de uitvoering van het project in de weg, wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor - voor zover vereist - geen ontheffing ingevolge de Flora- en faunawet zal worden verkregen. In dat geval is de ontwikkeling vanwege de Flora- en faunawet niet uitvoerbaar.

Natuurbeschermingswet 1998

Uit een oogpunt van gebiedsbescherming is de Natuurbeschermingswet 1998 van belang. Deze wet onderscheidt drie soorten gebieden, te weten:

  • a. door de minister van LNV aangewezen gebieden, zoals bedoeld in de Vogel- en Habitatrichtlijn;
  • b. door de minister van LNV aangewezen beschermde natuurmonumenten;
  • c. door Gedeputeerde Staten aangewezen beschermde landschapsgezichten.

De wet bevat een zwaar beschermingsregime voor de onder a en b bedoelde gebieden (in de vorm van verboden voor allerlei handelingen, behoudens vergunning van Gedeputeerde Staten of de minister van LNV). De bescherming van de onder c bedoelde gebieden vindt plaats door middel van het bestemmingsplan.

Bij de voorbereiding van het project moet worden onderzocht of de Natuurbeschermingswet 1998 de uitvoering van de ontwikkeling niet in de weg staat. De Natuurbeschermingswet staat de uitvoering van het project in de weg, wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning ingevolge de Natuurbeschermingswet 1998 zal kunnen worden verkregen.

Onderzoek

Gebieden

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een beschermd gebied, zoals een Natura 2000-gebied of de Provinciale Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Uiterwaarden Neder-Rijn', welke op circa 300 m afstand ten noorden van het plangebied gelegen is. Dit Natura 2000-gebied maakt tevens onderdeel uit van de PEHS. De geplande ontwikkeling betreft de herinrichting en beperkte uitbreiding van een bestaand recreatiepark, waarbij het totaal aantal verblijfseenheden afneemt. De uitbreiding in noordelijke richting heeft met name betrekking op de realisatie van extensieve dagrecreatie. Bij extensieve dagrecreatie moet gedacht worden aan kleinschalige voorzieningen, zoals wandelpaden en een midgetgolfbaan. Deze voorzieningen staan ten dienste van het recreatiepark zelf. Van de voorzieningen gaat dus geen verkeersaantrekkende werking uit. Deze voorzieningen leiden op een afstand van 300 m en een tussenliggende dijk niet tot een extra verstoring van het Natura 2000-gebied. De bouwwerkzaamheden die samenhangen met de herinrichting kunnen mogelijk wel leiden tot een tijdelijke extra verstoring van het Natura 2000-gebied. Het betreft hier echter een relatief kleinschalige ingreep van tijdelijke aard, die eventueel beperkt kan worden tot het seizoen waarin de te beschermen soorten afwezig zijn. Mede gezien de zeer grote omvang van het Natura 2000-gebied zal er daardoor geen sprake zijn van verstoring van significante aantallen vogels. Negatieve effecten op het Natura 2000-gebied (tevens PEHS) kunnen dan ook worden uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0214.BUIBP20100001-vi01_0006.png"

Ligging Natura 2000-gebied Uiterwaarden Neder-Rijn ten opzichte

van het plangebied (rode cirkel) (bron: gebiedendatabase Ministerie van LNV)

afbeelding "i_NL.IMRO.0214.BUIBP20100001-vi01_0007.png"

Ligging Provinciale Ecologische Hoofdstructuur ten opzichte van het

plangebied (rode cirkel) (bron: Atlas Groen Gelderland, provincie Gelderland)

Soorten

In het plangebied is een veldonderzoek naar vissen en vleermuizen uitgevoerd8 (zie Bijlage 5). Volgens het Natuurloket is vrijwel geen enkele soort onderzocht, met uitzondering van vissen (redelijk) en planten (matig).

Planten

In het plangebied zijn naar verwachting geen beschermde soorten planten aanwezig. Alle waargenomen soorten zijn algemeen en typerend voor intensief beheerd ruraal gebied.

Vogels

Het plangebied is zeer geschikt voor algemene soorten broedvogels die gebruikmaken van tuin en bos, zoals koolmees, pimpelmees, merel, staartmees, roodborst, winterkoning, zanglijster, spreeuw, fitis en tjiftjaf.

Zoogdieren

De groenstructuur maakt dat het gebied geschikt is als foerageergebied voor met name de gewone dwergvleermuis, het gaat echter niet om primair foerageergebied. Er zijn geen vaste verblijfplaatsen waargenomen. Op vier plaatsen is een baltsplaats voor vleermuizen vastgesteld, allen langs bosschages bij watergangen. Baltsplaatsen vormen een onderdeel van de voortplantingsplaats, maar zijn niet locatiespecifiek bij de gewone dwergvleermuis. Daarom betreft het geen vaste verblijfplaats en is het niet beschermd.

Daarnaast biedt het plangebied naar verwachting wel leefgebied voor konijn, mol, egel en enkele muizensoorten.

Amfibieën en vissen

Door de aanwezigheid van oppervlaktewater in de omgeving en schuilgelegenheid binnen het plangebied, biedt het plangebied mogelijk huisvesting aan gewone pad, kleine watersalamander en bruine kikker. In het plangebied zijn geen beschermde soorten vissen waargenomen (alleen tiendoornige stekelbaars en brasem, beiden niet beschermd).

Tabel 4.4 Beschermde soorten in het plangebied en het beschermingsregime

vrijstellingsregeling Flora- en faunawet   tabel 1     mol, egel, diverse muizensoorten, konijn

bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander  
ontheffingsregeling Flora- en faunawet   tabel 2     geen  
  tabel 3   bijlage 1 AMvB   geen  
    bijlage IV HR   vleermuizen  
  vogels   cat. 1 t/m 4   geen  
    cat. 5   koolmees, pimpelmees en spreeuw  

Toetsing

Gebieden

Gezien de beperkte omvang van de uitbreiding en tijdelijke aard van de werkzaamheden kunnen negatieve effecten op de soorten die gebruikmaken van het natuurgebied worden uitgesloten.

Soorten

De rooi- en grondwerkzaamheden in het plangebied om de sloten te dempen en elders opnieuw te graven en om beplanting te rooien, hebben aantasting en verstoring van alle aanwezige soorten tot gevolg.

Deze werkzaamheden dienen buiten het vogelbroedseizoen (15 maart t/m 15 juli) te worden uitgevoerd.

Na de grondwerkzaamheden zal het opnieuw inrichten van het plangebied geen aantasting of extra verstoring meer tot gevolg hebben. De aard van het plangebied blijft gelijk. Na afloop van de werkzaamheden zullen alle soorten wederom een verblijfplaats vinden binnen het plangebied. Ook kunnen na de werkzaamheden wederom baltsplaatsen voor de gewone dwergvleermuis voorkomen, aangezien ook in de nieuwe situatie bosschages en watergangen aanwezig zullen zijn, het gebied blijft even geschikt. De soort zal daarom niet worden aangetast.

Conclusies

  • Het plangebied is niet gelegen in een beschermd natuurgebied of een onderdeel van de PEHS. Het Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Neder-Rijn' (tevens PEHS) ligt op ongeveer 300 m afstand van het plangebied. Gezien de beperkte omvang van de uitbreiding en tijdelijke aard van de werkzaamheden kunnen negatieve effecten op de soorten die gebruikmaken van het natuurgebied worden uitgesloten.
  • In het plangebied zijn licht beschermde soorten aanwezig, waarvoor een vrijstelling geldt voor het aanvragen van ontheffing van de Flora- en faunawet.
  • In het plangebied zijn vogels aanwezig, welke niet mogen worden verstoord of aangetast. Dit is te voorkomen door buiten het broedseizoen te starten met de werkzaamheden. Er kan geen ontheffing voor vogels worden aangevraagd.

Wat de soortenbescherming betreft mag worden geconcludeerd dat de Flora- en faunawet geen beletsel vormt voor uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling. De natuurbeschermingswet zal het plan eveneens niet in de weg staan.

4.3.8 Spuitzones van kwekerijen

Normstelling en beleid

Normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals verblijfsrecreatie:

  • ter plaatse van de verblijfsrecreatiewoningen een goed verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Beleid

Voor kwekerijen en boomgaarden gelden geen wettelijke bepalingen ten aanzien van de minimaal aan te houden afstand in verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Ook in de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering' is geen richtafstand opgenomen. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening wordt in het algemeen wel een afstand van 50 m aangehouden tussen boomgaarden en woningen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van nieuwe woningen (en bijbehorende tuinen) te garanderen om eventuele beperkingen voor de bedrijfsvoering van de boomgaard in de beoordeling te betrekken. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vindt toepassing van een dergelijke vuistregel in het algemeen niet onredelijk9. Er kan echter sprake zijn van bijzondere omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van de indicatieve afstand van 50 m. Een en ander is onder meer afhankelijk van de bedrijfsvoering in de desbetreffende boomgaard. Het gebruik van dit beleid is tevens in jurisprudentie bevestigd10.

Onderzoek

Boomgaarden

In de directe omgeving van het plangebied liggen enkele boomgaarden. Er is gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State11 geen sprake van een functiewijziging ter plaatse van het bestaande verblijfsrecreatieterrein (waarop verblijfseenheden zijn toegestaan) aangezien op grond van het huidige bestemmingsplan reeds verblijfsrecreatie is toegestaan. Voor het bestaande verblijfsrecreatieterrein geldt dat de aanwezige bedrijven/boomgaarden in hun bedrijfsvoering en het gebruik van bestrijdingsmiddelen reeds met deze verblijfsrecreatie rekening dienen te houden.

De bestemminggrens van de bestemming 'verblijfsrecreatie' op het bestaande recreatieterrein komt ook niet dichterbij de boomgaarden te liggen dan in de huidige situatie het geval is. Door het opnemen van een groenbestemming aan de randen van het recreatieterrein wordt zelfs voorkomen dat de recreatiewoningen bij herinrichting op kortere afstand van de boomgaarden komen te liggen. Deze strook met de bestemming 'groen' is breder dan in de huidige situatie het geval is en is rond het gehele terrein gelegen. Het realiseren van opgaand groen aan de randen van het plangebied vermindert tevens de mogelijke verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen naar het recreatieterrein.

Voor de situatie ter plaatse van het bestaande recreatieterrein is verder van belang dat tussen de boomgaarden en een groot deel van het recreatieterrein watergangen aanwezig zijn waarmee de fruittelers rekening dienen te houden. Op grond van het Lozingenbesluit open teelt en veehouderij hebben fruittelers namelijk de verplichting om verwaaiing van gewasbeschermingsmiddelen naar het oppervlaktewater tegen te gaan. Daarvoor dienen zij maatregelen te nemen zoals het aanhouden van een enkelzijdige (landinwaartse) bespuiting van de laatste bomenrij en het gebruik van driftarme spuitdoppen in de omgeving van het oppervlaktewater. Tenslotte neemt het aantal verblijfsrecreatieve eenheden af op het deel van het terrein dat in de huidige situatie reeds de verblijfsrecreatieve bestemming heeft. Gelet op het bovenstaande geldt voor het deel van het plangebied dat in de huidige situatie reeds een verblijfsrecreatieve bestemming heeft dat er geen sprake is van een verslechtering van het recreatief klimaat. De telers worden vanwege de beoogde herinrichting op dit deel van het recreatieterrein niet verder in hun bedrijfsvoering belemmerd.

Het bestemmingsplan maakt tevens de uitbreiding van het bestaande recreatieterrein mogelijk met een deel dagrecreatie en een deel verblijfsrecreatie. De uitbreiding met de bestemming 'verblijfsrecreatie' bevindt zich ten zuiden van het nieuw te ontwikkelen deel met de bestemming 'dagrecreatie'. Bij het beoordelen van uitbreidingen wordt de eerdergenoemde afstandseis van 50 m betrokken aangezien het niet mogelijk is om een spuitzone wetenschappelijk te onderbouwen. Deze zone is namelijk afhankelijk van meerdere parameters zoals het weertype, de windsnelheid en -richting, -techniek, -middel en spuitmethode. Emissieberekeningen om de spuitzone te verkleinen hebben in eerdere beroepsprocedures geen stand gehouden12. Ter plaatse van de uitbreiding van het recreatieterrein met de bestemming 'verblijfsrecreatie' geldt dat een aanduiding 'spuitzone' is opgenomen voor het gebied dat binnen een afstand van 50 m van de omliggende boomgaarden is gelegen. Op grond van deze aanduiding is de ontwikkeling van verblijfsrecreatieve eenheden binnen het aanduidingsgebied niet mogelijk zodat de omliggende boomgaarden niet verder in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

Voor de uitbreiding van het recreatieterrein met de dagrecreatieve bestemming geldt dat er geen sprake is van gevoelige objecten zodat het beleid voor spuitzones hierop niet van toepassing is.

Conclusie

De aanwezige boomgaarden die grenzen aan het plangebied worden door de herinrichting van het bestaande terrein niet verder in hun bedrijfsvoering beperkt. Voor de uitbreiding van het recreatieterrein met de bestemming 'verblijfsrecreatie' geldt dat de ontwikkeling van nieuwe verblijfsrecreatieve eenheden binnen een afstand van 50 m van de boomgaarden niet is toegestaan. Daarmee wordt voldaan aan het beleid ten aanzien van spuitzones. Ter plaatse van het plangebied is, gelet op de herinrichting van het terrein en op de beperkingen die volgen uit de aanduiding 'spuitzone', sprake van een aanvaardbaar recreatief klimaat. Geconcludeerd wordt dat het beleid en de normstelling ten aanzien van spuitzones de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg staan.