direct naar inhoud van Regels
Plan: Buitengebied, vierde herziening
Status: ontwerp
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0214.BUIBP20130016-on01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het bestemmingsplan 'Buitengebied, vierde herziening' van de gemeente Buren.

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML bestand NL.IMRO.0214.BUIBP20130016-on01 met de bijbehorende regels en bijlagen.

1.3 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

1.5 aan huis gebonden nevenactiviteiten:

consumentenverzorgende, dienstverlenende en ambachtelijke activiteiten, die in de tot een woning behorende gebouwen worden uitgeoefend, alsmede galeries, vrijwel uitsluitend door de bewoner(s) van de desbetreffende woning.

1.6 achtererfgebied:

erf aan de achterkant en de niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijkant, op meer dan 1 m van de voorkant, van het hoofdgebouw.

1.7 agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren.

1.8 agrarisch hulpgebouw:

een bij een agrarisch bedrijf behorend agrarisch bedrijfsgebouw dat is gesitueerd buiten een bouwvlak en dat bijvoorbeeld dient voor het melken van vee, voor de opslag van goederen en materieel en/of ter beschutting tegen weersinvloeden.

1.9 agrarisch verwant bedrijf:

een niet-agrarisch, doch aan de agrarische productie verwant bedrijf dat zich richt op het leveren van diensten en goederen aan agrarische bedrijven, zoals een agrarisch loonwerkbedrijf, een landbouwmechanisatiebedrijf, een reparatie- en/of verhuurbedrijf van agrarische machines, een bedrijf voor landschapsbeheer, een veehandelaarsbedrijf, een groothandel in agrarische gewassen, een foerageerbedrijf, een KI-station, een dierenkliniek voor grootvee, een zorgboerderij en daarmee gelijk te stellen andere bedrijfsvormen.

1.10 ambachtelijk bedrijf:

een bedrijf, gericht op het uitoefenen van een ambacht, zijnde het geheel of overwegend door middel van handwerk vervaardigen, bewerken of herstellen van goederen en het installeren van goederen.

1.11 archeologische waarde:

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de kennis en de studie van het in dat gebied voorkomende bodemarchief.

1.12 bebouwd oppervlak:

het totaal van de oppervlakken van bouwwerken voor zover deze een grotere bouwhoogte hebben dan 1,2 m.

1.13 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

1.14 bebouwingspercentage:

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte aangeeft van het deel van het met een aanduiding aangegeven gebied, dat ten hoogste tot het bebouwd oppervlak mag behoren.

1.15 bed en breakfast:

een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor uitsluitend logies en ontbijt en bedoeld voor kortstondig, wisselend recreatief verblijf.

1.16 bedrijfsbouwwerk c.q. bedrijfsgebouw:

een bouwwerk c.q. een gebouw dat dient voor de uitoefening van één of meer bedrijfsactiviteiten.

1.17 bedrijfsvloeroppervlak:

de totale vloeroppervlakte van kantoren, winkels of bedrijven met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

1.18 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is.

1.19 bestaand:
  • a. bij bouwwerken:

bouwwerken die:

  • op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan legaal bestonden of in uitvoering waren, of;
  • gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden overeenkomstig de Woningwet of Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of krachtens die wetten gegeven voorschriften;
  • b. bij gebruik:

gebruik dat op het tijdstip van het van kracht worden van het bestemmingsplan, voor zover betrekking hebbend op het desbetreffende gebruik, legaal bestond.

1.20 bevoegd gezag:

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning.

1.21 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk met een dak.

1.22 bouwen:

plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten van een bouwwerk.

1.23 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak.

1.24 bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van kelder en zolder.

1.25 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Indien en voor zover twee bouwpercelen middels de aanduiding relatie met elkaar zijn verbonden worden deze aangemerkt als één bouwperceel.

1.26 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

1.27 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.28 containerteelt:

het kweken van planten/bomen in potten op een gesloten bed-ondergrond of een open bed-ondergrond met drainage.

1.29 cultuurhistorische waarde:

de aan een bouwwerk, een werk of een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis heeft gemaakt van dat bouwwerk, dat werk of dat gebied.

1.30 dagrecreatie:

verblijf buiten de woning voor recreatieve doeleinden zonder dat er een overnachting ter plaatse mee gepaard gaat.

1.31 dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

1.32 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

1.33 dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden.

1.34 eerste bouwlaag:

de bouwlaag op de begane grond.

1.35 extensief dagrecreatief medegebruik:

een aan de bestemming ondergeschikt gebruik voor niet gemotoriseerde dagrecreatie gericht op het rustig beleven en gebruikmaken van aanwezige specifieke omgevingskwaliteiten in de vorm van wandelen, fietsen, varen, vissen en dergelijke.

1.36 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.37 glastuinbouw:

een vorm van niet-grondgebonden agrarische productie, waarbij het voortbrengen van producten, door middel van het telen van gewassen, plaatsvindt in kassen en/of in permanente kunststoftunnels.

1.38 grondgebonden agrarische productie:

de agrarische productie, waarbij het voortbrengen van producten afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop de productie plaatsvindt en waarbij het voortbrengen van producten in hoofdzaak plaatsvindt in de openlucht.

1.39 halfvrijstaande woning:

een twee-onder-één-kap-woning.

1.40 hergebruik:

een ander gebruik dan het bestaande gebruik, waarbij het bestaande gebruik verdwijnt.

1.41 hoofdgebouw:

een gebouw, of gedeelte daarvan, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als het belangrijkste gebouw is aan te merken.

1.42 horecabedrijf:

een bedrijf of instelling, niet zijnde een discotheek/bardancing/nachtclub of pension/hotel, waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verkocht, waaronder begrepen een restaurant, een cafetaria/snackbar/ijssalon en een theetuin.

1.43 hoofdverblijf:

een gebouw of een deel van een gebouw dat:

òf door eenzelfde persoon of huishouden gebruikt wordt als woonruimte op een wijze die, ingevolge het bepaalde in artikel 24 tot en met 31 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, noopt tot inschrijving van de bewoner(s) in de basisadministratie van de gemeente waarin dat gebouw is gelegen; hiervan is sprake indien er naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in het gebouw wordt verbleven;

òf indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres is waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten; met dien verstande dat van een gebruik als hoofdverblijf voorts wordt geacht sprake te zijn wanneer buiten het zomerseizoen (dat loopt van 1 mei tot 1 oktober) in een kalenderjaar ter plaatse meer dan 70 maal nachtverblijf wordt gehouden en door betrokkene niet aannemelijk is of kan worden gemaakt, dat elders over een hoofdverblijf kan worden beschikt.

1.44 intensieve veehouderij:

een agrarisch bedrijf met een bedrijfsvoering die geheel of in overwegende mate in gebouwen plaatsvindt en gericht is op het houden van dieren, zoals rundveemesterij, varkens-, vleeskalver-, pluimvee-, pelsdier-, geiten- of schapenhouderij of een combinatie van deze bedrijfsvormen, alsmede naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsvormen met uitzondering van grondgebonden melkveehouderijen.

1.45 kantoor:

een ruimte of bij elkaar horende ruimten die bestemd is/zijn om voornamelijk te worden gebruikt voor administratieve werkzaamheden of dienstverlening.

1.46 kantoor- en praktijkruimte:

een ruimte waarvan de aard en indeling zijn afgestemd op de uitoefening van administratieve, (para)medische, sociaalwetenschappelijke, juridische, therapeutische, kunstzinnige, ontwerptechnische en andere hiermede vergelijkbare beroepen, door de bewoner(s) van de desbetreffende woning.

1.47 kampeermiddel:

een tent, tentwagen, kampeerauto, caravan, of enig ander onderkomen ten behoeve van recreatief nachtverblijf, voor zover geen bouwwerk zijnde waarvoor op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals dit geldt ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan, en krachtens deze wet vastgestelde voorschriften een omgevingsvergunning is vereist en met geen grotere afmeting dan 25 m2.

1.48 karakteristiek gebouw:

een gebouw dat wegens zijn verschijningsvorm of zijn cultuurhistorische betekenis van zodanig belang is voor het karakter van het desbetreffende deel van het plangebied, dat dit belang de toepassing van bijzondere voorschriften ten aanzien van de bouwmogelijkheden rechtvaardigt.

1.49 kas:

een bouwwerk, bestaande uit onder meer een steun constructie en een afdichting van glas, bedoeld om gewassen te beschermen tegen weersinvloeden.

1.50 kunststoftunnel:

een bouwwerk, bestaande uit onder meer een steunconstructie en een afdichting van kunststoffolie, bedoeld om gewassen te beschermen tegen weersinvloeden.

1.51 kleinschalig kamperen:

een vorm van kamperen waarbij maximaal 25 kampeermiddelen voor een korte periode en uitsluitend tussen 15 maart en 31 oktober zijn toegestaan.

1.52 landgoed:

een onroerende zaak, waarop bossen, landschappelijke beplanting, terreinen met natuurwaarde en/of waterpartijen, zijn gelegen rond een woon- en/of kantoorgebouw.

1.53 landgoedwinkel:

een verkooppunt op/van een landgoed waar voornamelijk producten van het eigen landgoed of streekeigen agrarische producten, eventueel voor gebruik ter plaatse, worden verkocht.

1.54 landschappelijke beplanting:

opgaande, uit houtgewas bestaande beplanting, in hoofdzaak bestaande uit streekeigen soorten, ter verfraaiing van het landschap en/of ter inpassing van hierin voorkomende bouwwerken en werken.

1.55 landschappelijke waarde:

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door het waarneembare deel van het aardoppervlak, welke waarde bepaald wordt door de onderlinge samenhang en beïnvloeding van de levende en niet-levende natuur.

1.56 loonwerkbedrijf:

een niet-agrarisch, doch agrarisch verwant bedrijf, dat in opdracht van anderen werkzaamheden verricht ten behoeve van de agrarische productie en/of het beheer en onderhoud van het landschap.

1.57 maatschappelijke voorzieningen / dienstverlening:

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen/dienstverlening en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening.

1.58 mantelzorg:

het bieden van zorg aan huis aan iemand die hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, buiten bedrijfsmatig of organisatorisch verband.

1.59 molen:

bouwwerk bestemd en geschikt voor het benutten van windkracht.

1.60 monument:

een bouwwerk of een werk dat van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, zijn betekenis voor de wetenschap of zijn cultuurhistorische waarde en dat als zodanig is opgenomen in de lijst van beschermde monumenten van rijk of gemeente, waardoor op het desbetreffende bouwwerk of werk de Monumentenwet, respectievelijk de gemeentelijke monumentenverordening van toepassing is.

1.61 natuurkampeerterrein:

een kampeerterrein, geopend in de periode van 15 maart tot en met 31 oktober, dat zich kenmerkt door eenvoud, rust en mooie ligging in de natuur.

1.62 natuurwaarde:

de aan een gebied toegekende waarde, gekenmerkt door de hydrologie en door geologische, geomorfologische, bodemkundige en biologische elementen, zowel afzonderlijk, als in onderlinge samenhang.

1.63 nevenactiviteit:

een ander gebruik naast het bestaande gebruik, maar daaraan ondergeschikt en waarbij het bestaande gebruik volwaardig blijft bestaan.

1.64 niet-agrarisch bedrijf:

een bedrijf, niet-zijnde een agrarisch bedrijf, zoals dit bedrijf in de regels nader is benoemd.

1.65 niet-grondgebonden agrarische productie:

de agrarische productie, waarbij het voortbrengen van producten niet afhankelijk is van de bodem waarop de productie plaatsvindt, dan wel waarbij het voortbrengen van producten in hoofdzaak plaatsvindt in gebouwen.

1.66 niet-permanente teeltondersteunende voorziening:

een kunststoftunnel of overkapping waarbij de afdichting of afdekking per jaar niet langer dan 5 maanden aaneengesloten is aangebracht.

1.67 omgevingsvergunning:

een vergunning als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals deze wet luidde ten tijde van de vaststelling van dit bestemmingsplan.

1.68 open erf:

het deel van een bouwperceel, waarvoor geen bouwvlak is aangegeven, alsmede gronden binnen een bouwvlak die onbebouwd blijven.

1.69 overkapping:

een bouwwerk, bestaande uit onder meer een steunconstructie en een afdekking van kunststoffolie, bedoeld om gewassen te beschermen tegen weersinvloeden.

1.70 paardenbak:

een buitenrijbaan ten behoeve van paardrij-activiteiten, met een bodem van zand, hout, boomschors of ander materiaal om de bodem te verstevigen en al dan niet voorzien van een omheining.

1.71 perceelsgrens:

de scheiding tussen percelen, die niet aan éénzelfde eigenaar behoren dan wel niet door éénzelfde gebruiker worden benut.

1.72 permanente bewoning c.q. gebruik als hoofdverblijf:

gebruik van een gebouw door eenzelfde persoon of eenzelfde huishouden op een wijze die ingevolge het bepaalde in de artikelen 24 tot en met 31 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens noopt tot inschrijving in de basisadministratie van de gemeente Buren. Hiervan is sprake indien er naar redelijke verwachting gedurende een half jaar tenminste twee derde van de tijd in het recreatieverblijf wordt verbleven.

1.73 plattelandswoning:

een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die door een derde bewoond mag worden en die wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting op grond van artikel 1.1a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht voor de toepassing van die wet.

1.74 productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

1.75 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding.

1.76 seksinrichting:

een voor publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden en waaronder in elk geval wordt verstaan een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, seksbioscoop, seksautomaat, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

1.77 volwaardig agrarisch bedrijf:

een agrarisch bedrijf dat de arbeidsomvang heeft van tenminste één volledige arbeidskracht en waarvan de continuïteit ook op lange termijn in voldoende mate verzekerd is.

1.78 voorgevel:

de lijn die gelijk loopt aan de naar de straat gerichte voorgevel van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan. Van een hoofdgebouw gelegen op de hoek van meer dan 1 straat moeten alle gevels van het hoofdgebouw, gelegen aan de straatkant, gezien worden als voorgevel.

1.79 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht:

wet van 6 november 2008 (Stb. 496), houdende regels inzake een vergunningstelsel met betrekking tot activiteiten die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving en inzake handhaving van regelingen op het gebied van de fysieke leefomgeving (Wet algemene bepalingen omgevingsrecht), zoals deze luidt op het moment van de terinzagelegging van het ontwerp van dit plan.

1.80 woning:

een (gedeelte van een) gebouw, niet zijnde een woonwagen, dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

1.81 woning/woningeenheid:

een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.

1.82 woongebouw:

een gebouw waarin meerdere wooneenheden aanwezig zijn met een gemeenschappelijke entree.

Artikel 2 Wijze van meten

2.1 Meetwijze

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1.1 de afstand tot de bouwperceelgrens

tussen de grenzen van een bouwperceel en enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend (hoofd)gebouw, waar die afstand het kortst is;

2.1.2 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

2.1.3 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;

2.1.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.1.5 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.1.6 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;

2.1.7 de oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

2.1.8 peil
  • a. Voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang of voorgevel zich bevindt binnen een maximale afstand van 5 meter tot de rand van de weg (inclusief stoep), geldt de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang.
  • b. Als aan een dijk wordt gebouwd en indien de voorgevel van een bouwwerk binnen een afstand van maximaal 5 meter uit de grens van de weg (dijk) ligt geldt de kruin van de dijk.
  • c. Als in of op de grens van water wordt gebouwd geldt het Nieuw Amsterdams Peil voor het bouwwerk.
  • d. In andere gevallen voor bouwwerk geldt de gemiddelde hoogte van het aanliggende, afgewerkte terrein, dat gelegen is binnen het desbetreffende bestemmingsvlak.

In algemene zin geldt dat:

  • Indien een bouwwerk aan meer dan één weg wordt gebouwd, is het peil van de hoogstgelegen weg maatgevend.
  • Plaatselijke ophogingen aan de voet van het bouwwerk, die niet bij het verdere verloop van het terrein passen, blijven buiten beschouwing voor de hoogte van het peil. Ophogingen die noodzakelijk zijn voor de bouw, vallen niet onder deze plaatselijke ophogingen.
  • Voor een bouwwerk op een erf- of perceelgrens is het maatgevende peil aan die kant waar het aansluitend afgewerkt terrein het hoogst is.
2.2 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, gevel- en kroonlijsten, regenpijpen, stoeptreden, luifels, balkons en overstekende daken, buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. grondgebonden agrarische productie;
  • b. het weiden van dieren;
  • c. bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag;
  • d. landschappelijke beplanting;
  • e. watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder begrepen;
  • f. extensief dagrecreatief medegebruik;

voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid als 'bouwvlak', zijn deze gronden tevens bestemd voor:

  • g. niet-grondgebonden agrarische productie, in de vorm van intensieve veehouderij, ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij' op de verbeelding;
  • h. bijbehorende be- en verwerking van agrarische producten, productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekeigen agrarische producten;
  • i. bijbehorende bewoning, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' de bedrijfswoning mag worden gebruikt als een plattelandswoning;
  • j. recreatief nachtverblijf in de vorm van kleinschalig kamperen;
  • k. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - weegbrug' voor een weegbrug ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Bouwregels binnen de bouwvlakken

Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch', voor zover dit betreft de bouwvlakken, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming;
  • b. het bestaande aantal bedrijfswoningen, met dien verstande dat:
    • 1. indien geen bedrijfswoning aanwezig is, maximaal één bedrijfswoning per volwaardig agrarisch bedrijf is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aangegeven aantal;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
  • c. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de bedrijfswoning;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming;

Voor gebouwen geldt dat de afstand tot de perceelsgrens niet minder mag bedragen dan 5 m.

a Bedrijfsgebouwen

Bij de bouw van de in 3.2.1 sub a bedoelde bedrijfsgebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. kassen en permanente kunststoftunnels zijn uitsluitend toegestaan indien het gebruik daarvan in het verlengde van de hoofdteelt ligt en het gezamenlijke oppervlak niet meer bedraagt dan 1.500 m2;
  • b. ingeval sprake is van kassen en/of permanente kunststoftunnels bij (Iaan)boomteeltbedrijven mag de totale oppervlakte niet meer bedragen dan 2.500 m2;
  • c. van de gezamenlijke bedrijfsgebouwen ten behoeve van de niet-grondgebonden agrarische productie mag het totale oppervlak niet meer bedragen dan 750 m2;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van kassen en kunststoftunnels niet meer mag bedragen dan 7 m.
b Bedrijfswoningen

Bij de bouw van de in 3.2.1 sub b bedoelde bedrijfswoningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. indien nog geen bedrijfswoning aanwezig is of indien sprake is van de vervanging van een bestaande bedrijfswoning, mag de bedrijfswoning uitsluitend in- of aanpandig met, dan wel op ten hoogste 5 m van een bedrijfsgebouw worden gebouwd;
  • b. de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;

met dien verstande dat, indien de bestaande inhoud, bouwhoogte of goothoogte groter respectievelijk hoger is, deze grotere of hogere maat maatgevend is.

c Bijbehorende bouwwerken

Bij de bouw van de in 3.2.1 sub c bedoelde bijbehorende bouwwerken dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. per bedrijfswoning mogen niet meer dan 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd en mag het totale oppervlak van de bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 75 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
d Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van de in 3.2.1 sub d bedoelde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
  • b. de hoogte van mest- en voedersilo's en bio-installaties mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • c. de wandhoogte van mestbassins mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • d. de bouwhoogte van vrijstaande antennemasten mag niet meer bedragen dan 15 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 9 m.
3.2.2 Bouwregels buiten de bouwvlakken

Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch', voor zover gelegen buiten de bouwvlakken, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen zoals kunststoftunnels en overkappingen;
  • b. molens ten behoeve van de waterhuishouding;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.
a Teeltondersteunende voorzieningen

Bij de bouw van de in 3.2.2 sub a bedoelde teeltondersteunende voorzieningen mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 6 m.

b Molens

Bij de bouw van de in 3.2.2 sub b bedoelde molens mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 6 m.

c Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van de in 3.2.2 sub c bedoelde overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
3.3 Afwijken van de bouwregels
3.3.1 Algemeen

Tot het afwijken van de regels wordt pas overgegaan, indien hierdoor:

  • a. de functies en waarden die in het plan aan de desbetreffende en aan de omliggende gronden zijn toegekend, niet blijvend onevenredig worden geschaad;
  • b. voor zover het betreft gronden gelegen buiten de bouwvlakken, uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad en, in geval het bouwwerken betreft, van tevoren in voldoende mate is verzekerd dat wordt voorzien in de aanleg van een landschappelijke beplanting ter inpassing van de bouwwerken die door het verlenen van de omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt.
3.3.2 Overschrijding bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor de bouw van een in 3.2.1 sub a of 3.2.1 sub d bedoeld bouwwerk dat de grenzen van een bouwvlak overschrijdt, indien en voor zover:

  • a. het bouwwerk niet of niet doelmatig in zijn geheel op het bouwvlak kan worden opgericht;
  • b. het bouwvlak niet reeds is vergroot door toepassing van de wijzigingsbevoegdheid;
  • c. de overschrijding van de grens van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 15 m;
  • d. indien het een bedrijfsgebouw betreft de oppervlakte van het gedeelte dat de grenzen van het bouwvlak overschrijdt niet meer bedraagt dan 300 m2.
3.3.3 Agrarisch hulpgebouw

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor de bouw van een agrarisch hulpgebouw buiten een bouwvlak, indien en voor zover:

  • a. het hulpgebouw niet of niet doelmatig op een bouwvlak kan worden opgericht;
  • b. de oppervlakte van het perceel waarop het gebouw wordt opgericht meer bedraagt dan 1 ha;
  • c. de oppervlakte van het gebouw niet meer bedraagt dan 0,25% van het perceel waarop het gebouw wordt opgericht en niet meer bedraagt dan 100 m2,
  • d. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 7 m;
  • e. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 m.
3.4 Specifieke gebruiksregels

Als gebruik in strijd met de bestemming 'Agrarisch' wordt in ieder geval begrepen:

  • a. een gebruik als volkstuin;
  • b. een gebruik voor niet-grondgebonden agrarische productie in de vorm van teelt op tray-velden of op stellingen en/of containerteelt op lavas of beton;
  • c. een gebruik voor de verwerking van agrarische producten, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 250 m2 en een gebruik voor productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekeigen agrarische producten, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 50 m2;
  • d. de opslag van mest buiten de agrarische bouwvlakken;
  • e. de opslag van goederen en materieel in de openlucht en buiten de agrarische bouwvlakken uitsluitend ten behoeve van bedrijfsmatige grondgebonden agrarisch gerelateerde activiteiten, voor zover de oppervlakte van de opslag meer bedraagt dan 200 m2 per perceel en/of de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 2 m;
  • f. de opslag van goederen en materieel in de openlucht en op de agrarische bouwvlakken, voor zover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 4 m;
  • g. de plaatsing van kampeermiddelen waarvan de oppervlakte meer bedraagt dan 25 m2.
3.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het toegestane gebruik volgens het bepaalde in 3.1 voor het verlenen van huisvesting van seizoenarbeiders, met dien verstande dat:

  • a. de huisvesting uitsluitend bedoeld is voor seizoenarbeiders die tijdelijk werkzaam zijn voor het betreffende agrarische bedrijf;
  • b. het betreft wisselend gebruik, afhankelijk van de bedrijfsmatige noodzaak in de productiegebonden seizoenen;
  • c. de aanwezige bedrijfsgebouwen voor dit doel mogen worden ingericht voor een overnachtingsaccommodatie, die niet geschikt is voor zelfstandige bewoning, en/of daarbij behorende voorzieningen;
  • d. indien aangetoond wordt dat onvoldoende ruimte aanwezig is binnen de aanwezige bedrijfsgebouwen deze voor dit doel ook mogen worden uitgebreid, waarbij de regels voor bedrijfsgebouwen overeenkomstig deze regels van toepassing zijn;
  • e. indien mogelijkheden voor de sub c genoemde overnachtingsaccommodatie redelijkerwijs ontbreken, in plaats daarvan en maximaal gedurende 4 aaneengesloten maanden, binnen het bouwvlak tijdelijke mobiele woonunits mogen worden geplaatst, met geen groter gezamenlijk oppervlak dan 100 m2, geen hogere hoogte dan 3 m en mits wordt voorzien in een doeltreffende landschappelijke inpassing;
  • f. aangetoond wordt dat de omvang van de overnachtingsaccommodatie en/of het aantal te realiseren woonunits is afgestemd op de behoefte aan tijdelijke arbeidskrachten;
  • g. van de sub e genoemde periode kan worden afgeweken indien aangetoond wordt dat de aard van de agrarische bedrijfsvoering noodzaakt tot de huisvesting van seizoenarbeiders buiten de genoemde periode;
  • h. de functies en waarden die in het plan aan de desbetreffende en aan de omliggende gronden zijn toegekend, niet blijvend onevenredig worden geschaad.
3.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.6.1 Uitvoeren van werkzaamheden

Het is verboden binnen de bestemming 'Agrarisch', voor zover dit niet betreft de bouwvlakken, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van grond, puin of afvalmaterialen, voor zover deze van elders zijn aangevoerd;
  • b. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voor zover het niet betreft wegen en paden ten behoeve van het normale agrarische gebruik;
  • c. het dempen, aanleggen of verbreden van watergangen.
3.6.2 Uitzonderingen

Het in 3.6.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. werken en werkzaamheden binnen het kader van het normale onderhoud, beheer of herstel van de functies, die het plan aan de gronden toekent;
  • b. werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
  • c. werken en werkzaamheden ten aanzien waarvan door burgemeester en wethouders is medegedeeld dat deze, wat aard en omvang betreft, van zodanige ondergeschikte betekenis zijn, dat voor de uitvoering daarvan geen omgevingsvergunning wordt vereist.
3.6.3 Onderzoek

Burgemeester en wethouders gaan pas over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, als bedoeld in 3.6.1 , indien uit een nader onderzoek is gebleken dat door de beoogde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan te verwachten directe of indirecte gevolgen, de landschappelijke waarden en de natuurwaarden, die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

Artikel 4 Agrarisch - Niet grondgebonden

4.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Agrarisch - Niet grondgebonden' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. grondgebonden agrarische productie;
  • b. niet-grondgebonden agrarische productie in de vorm van intensieve veehouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';
  • c. mestverwerking en het verhandelen van de daarbij vrijkomende energie in de vorm van een mestverwerkingsinstallatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - mestverwerking' en ondergeschikt aan de agrarische productiefunctie;
  • d. bijbehorende voorzieningen en opslag;
  • e. bijbehorende productiegebonden detailhandel;
  • f. bijbehorende bewoning;
  • g. erfbeplanting en/of de landschappelijke beplanting.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Bouwregels binnen de bouwvlakken

Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch - Niet grondgebonden' mogen binnen de bouwvlakken uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming;
  • b. het bestaande aantal bedrijfswoningen, met dien verstande dat:
    • 1. indien geen bedrijfswoning aanwezig is, maximaal één bedrijfswoning per volwaardig agrarisch bedrijf is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aangegeven aantal;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
  • c. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de bedrijfswoning;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.
a Bedrijfsgebouwen

Bij de bouw van de in 4.2.1 sub a bedoelde bedrijfsgebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. bedrijfsgebouwen ten behoeve van het houden van dieren mogen maximaal 1 bouwlaag bevatten;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m, met dien verstande dat, indien de voor 'Agrarisch – Niet grondgebonden' aangewezen gronden voor meer dan één zijde grenzen aan gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden – Komgebied', de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 9 m;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 7 m, met dien verstande dat, indien de voor 'Agrarisch – Niet grondgebonden' aangewezen gronden voor meer dan één zijde grenzen aan gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden – Komgebied', de goothoogte niet meer mag bedragen dan 5 m.
b Bedrijfswoningen

Bij de bouw van de in 4.2.1 sub b bedoelde bedrijfswoningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. indien nog geen bedrijfswoning aanwezig is of indien sprake is van de vervanging van een bestaande bedrijfswoning, mag de bedrijfswoning uitsluitend in- of aanpandig met, dan wel op ten hoogste 5 m van een bedrijfsgebouw worden gebouwd;
  • b. de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;

met dien verstande dat, indien de bestaande inhoud, bouwhoogte of goothoogte groter respectievelijk hoger is, deze grotere of hogere maat maatgevend is.

c Bijbehorende bouwwerken

Bij de bouw van de in 4.2.1 sub c bedoelde bijbehorende bouwwerken dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. per bedrijfswoning mogen niet meer dan 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd en mag het totale oppervlak van de bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 75 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
d Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van de in 4.2.1 sub d bedoelde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
  • b. de bouwhoogte van mest- en voedersilo's en bio-installaties mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • c. de wandhoogte van mestbassins mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • d. de bouwhoogte van vrijstaande antennemasten mag niet meer bedragen dan 15 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 9 m.
4.2.2 Bouwregels buiten de bouwvlakken

Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch - Niet grondgebonden' mogen buiten de bouwvlakken geen bouwwerken worden gebouwd.

4.3 Specifieke gebruiksregels

Als gebruik in strijd met de bestemming 'Agrarisch - Niet grondgebonden' wordt in ieder geval begrepen:

  • a. een gebruik voor productiegebonden detailhandel, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 50 m2;
  • b. de opslag van goederen en materieel in de open lucht, voor zover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 4 m of de opslag plaatsvindt ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - weg';
  • c. een gebruik als mestverwerkingsinstallatie waarbij de mest en eventuele (co)substraten in hoofdzaak door derden wordt aangevoerd en/of het substraat in hoofdzaak naar derden wordt afgevoerd.

Artikel 5 Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. grondgebonden agrarische productie;
  • b. het weiden van dieren;
  • c. bijbehorende voorzieningen, huiserven, gaarden en opslag;
  • d. instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan een agrarisch oeverwalgebied;
  • e. watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen;
  • f. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - schuur' een agrarische schuur;
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - onderhoudsloods' voor een loods ten behoeve van het onderhoud van het landgoed;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - pomphok' een pomphok;

voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid als 'bouwvlak', zijn deze gronden tevens bestemd voor:

  • j. bijbehorende be- en verwerking van agrarische producten, productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekeigen agrarische producten;
  • k. bijbehorende bewoning, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan en dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' de bedrijfswoning mag worden gebruikt als een plattelandswoning;
  • l. recreatief nachtverblijf in de vorm van kleinschalig kamperen;
  • m. landschappelijke inpassing van de bebouwing, waaronder wordt verstaan:
5.1.1 Waarden

Tot de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de in 5.1  onder d bedoelde gronden worden gerekend:

  • a. reliëf: geulen, ruggen en huisterpen;
  • b. waterhuishouding: een relatief laag grond- en oppervlaktewaterpeil;
  • c. watersysteem: wielen, plassen en open water;
  • d. grondgebruik: een divers agrarisch gebruik, onder meer als grasland, akkerland, boomgaard en boomkwekerij, waarbij de diverse gebruiksvormen door elkaar heen voorkomen;
  • e. verkaveling: een kleinschalige verkaveling, waarbij zowel regelmatige als onregelmatige en zowel strookvormige als blokvormige percelen voorkomen en die voor een deel het reliëf volgt;
  • f. opgaande beplanting: relatief veel erf-, kavelgrens- en wegbeplantingen, boomgaarden en bosjes, met als meest kenmerkende boomsoorten eiken, essen, iepen, lindes, fruit-, noten- en kastanjebomen;
  • g. bebouwing: relatief veel bebouwing, waarbij deze zowel kan voorkomen in de vorm van geconcentreerd liggende buurtschappen en lintbebouwing als in de vorm van verspreid liggende bebouwing;
  • h. flora: droge, halfnatuurlijke, kruidenrijke graslanden, akkeronkruiden en opgaande beplanting met bijbehorende onderbegroeiing;
  • i. fauna: diersoorten die zijn gebonden aan opgaande beplanting (zoals vleermuizen, zang- en roofvogels en kleine zoogdieren, waaronder marterachtigen).
5.2 Bouwregels
5.2.1 Bouwregels binnen de bouwvlakken

Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied', voor zover dit betreft de agrarische bouwvlakken, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming;
  • b. het bestaande aantal bedrijfswoningen, met dien verstande dat:
    • 1. indien geen bedrijfswoning aanwezig is, maximaal één bedrijfswoning per volwaardig agrarisch bedrijf is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aangegeven aantal;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
  • c. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de bedrijfswoning;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.

Voor gebouwen geldt dat de afstand tot de perceelsgrens niet minder mag bedragen dan 5 m.

a Bedrijfsgebouwen

Bij de bouw van de in 5.2.1 sub a bedoelde bedrijfsgebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. kassen en permanente kunststoftunnels zijn uitsluitend toegestaan indien het gebruik daarvan in het verlengde van de hoofdteelt ligt en het gezamenlijke oppervlak niet meer bedraagt dan 1.500 m2;
  • b. van de gezamenlijke bedrijfsgebouwen ten behoeve van de niet-grondgebonden agrarische productie mag het totale oppervlak niet meer bedragen dan 750 m2;
  • c. van de gezamenlijke bedrijfsgebouwen ten behoeve van de volgens 5.1 toegestane nevenactiviteiten mag het totale oppervlak niet meer bedragen dan 25% van het oppervlak van de bedrijfsgebouwen, tot een maximum van 350 m2;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van kassen en kunststoftunnels niet meer mag bedragen dan 7 m;
  • e. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • f. in het bestemmingsvlak aan de Culemborgseweg mag uitsluitend met de bouw van bedrijfsgebouwen worden begonnen, indien een onafhankelijk landbouwkundig adviseur aangeeft dat voldoende is ingeplant van het teeltplan, zoals opgenomen in Bijlage 2 Teeltplan Culemborgseweg ongenummerd voor een volwaardig bedrijf en na realisering van het landschappelijk inrichtingsplan, zoals opgenomen in Bijlage 1 Inrichtingsplan Culemborgseweg ongenummerd (van welke bijlage uitsluitend de landschappelijke inpassingselementen, zoals bestaande beplanting, nieuwe beplanting, heesters en haag bindend zijn; niet de bebouwing); deze voorwaardelijke verplichting geldt niet voor het pomphok als bedoeld in 5.2.2 sub c .
b Bedrijfswoningen

Bij de bouw van de in 5.2.1 sub b bedoelde bedrijfswoningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. indien nog geen bedrijfswoning aanwezig is of indien sprake is van de vervanging van een bestaande bedrijfswoning, mag de bedrijfswoning uitsluitend in- of aanpandig met, dan wel op ten hoogste 5 m van een bedrijfsgebouw worden gebouwd;
  • b. de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;

met dien verstande dat, indien de bestaande inhoud, bouwhoogte of goothoogte groter respectievelijk hoger is, deze grotere of hogere maat maatgevend is.

c Bijbehorende bouwwerken

Bij de bouw van de in 5.2.1 sub c bedoelde bijbehorende bouwwerken dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. per bedrijfswoning mogen niet meer dan 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd en mag het totale oppervlak van de bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 75 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
d Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van de in 5.2.1 sub d bedoelde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
  • b. de bouwhoogte van mest- en voedersilo's en bio-installaties mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • c. de wandhoogte van mestbassins mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • d. de bouwhoogte van vrijstaande antennemasten mag niet meer bedragen dan 15 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 9 m.
5.2.2 Bouwregels buiten de bouwvlakken

Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied', voor zover gelegen buiten de bouwvlakken, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. niet-permanente teeltondersteunende voorzieningen zoals kunststoftunnels en overkappingen;
  • b. molens ten behoeve van de waterhuishouding;
  • c. een pomphok, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - pomphok';
  • d. een schuur, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - schuur';
  • e. een onderhoudsloods, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - onderhoudsloods';
  • f. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.
a Teeltondersteunende voorzieningen

Voor het bouwen van de in 5.2.2 sub a bedoelde teeltondersteunende voorzieningen mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 6 m.

b Molens

Bij de bouw van de in 5.2.2 sub b bedoelde molens mag de ashoogte niet meer bedragen dan 6 m.

c Pomphok

Bij de bouw van het in 5.2.2 sub c bedoelde pomphok dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 100 m2;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m.
d Schuur

Bij de bouw van de in 5.2.2 sub d bedoelde schuur dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 223 m2;
  • b. de inhoud mag niet meer bedragen dan 663 m3;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m.
e Onderhoudsloods

Bij de bouw van de in 5.2.2 sub e bedoelde onderhoudsloods dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 120 m2;
  • b. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 4,5 m;
  • d. de afstand tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 1 m.
f Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van de in 5.2.2 sub f bedoelde overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
5.3 Afwijken van de bouwregels
5.3.1 Algemeen

Tot het afwijken van de regels wordt pas overgegaan, indien hierdoor:

  • a. de functies en waarden die in het plan aan de desbetreffende en aan de omliggende gronden zijn toegekend, niet blijvend onevenredig worden geschaad;
  • b. voor zover het betreft gronden gelegen buiten de bouwvlakken, uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad en, in geval het bouwwerken betreft, van tevoren in voldoende mate is verzekerd dat wordt voorzien in de aanleg van een landschappelijke beplanting ter inpassing van de bouwwerken die door het verlenen van de omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt.
5.3.2 Overschrijding bouwvlak

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor de bouw van een in 5.2.1 sub a of 5.2.1 sub d bedoeld bouwwerk dat de grenzen van een bouwvlak overschrijdt, indien en voor zover:

  • a. het bouwwerk niet of niet doelmatig in zijn geheel op het bouwvlak kan worden opgericht;
  • b. het bouwvlak niet reeds is vergroot door toepassing van de wijzigingsbevoegdheid;
  • c. de overschrijding van de grens van het bouwvlak niet meer bedraagt dan 15 m;
  • d. indien het een bedrijfsgebouw betreft de oppervlakte van het gedeelte dat de grenzen van het bouwvlak overschrijdt niet meer bedraagt dan 300 m2;
5.3.3 Agrarisch hulpgebouw

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de regels voor de bouw van een agrarisch hulpgebouw buiten een bouwvlak, indien en voor zover:

  • a. het hulpgebouw niet of niet doelmatig op een bouwvlak kan worden opgericht;
  • b. de oppervlakte van het perceel waarop het gebouw wordt opgericht meer bedraagt dan 1 ha;
  • c. de oppervlakte van het gebouw niet meer bedraagt dan 0,25% van het perceel waarop het gebouw wordt opgericht en niet meer bedraagt dan 100 m2;
  • d. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 7 m;
  • e. de goothoogte niet meer bedraagt dan 3 m.
5.4 Specifieke gebruiksregels
5.4.1 Strijd met bestemming

Als gebruik in strijd met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied' wordt in ieder geval begrepen:

  • a. een gebruik als volkstuin;
  • b. een gebruik voor niet-grondgebonden agrarische productie in de vorm van teelt op tray-velden of op stellingen, teelt op folie of worteldoek en/of containerteelt op lavas of beton;
  • c. een gebruik voor de verwerking van agrarische producten, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 250 m2 en een gebruik voor productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekeigen agrarische producten, voor zover dit gebruik meer bedraagt dan 50 m2;
  • d. de opslag van mest buiten de agrarische bouwvlakken;
  • e. de opslag van goederen en materieel in de openlucht en buiten de agrarische bouwvlakken uitsluitend ten behoeve van bedrijfsmatige grondgebonden agrarisch gerelateerde activiteiten, voor zover de oppervlakte van de opslag meer bedraagt dan 200 m2 per perceel en/of de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 2 m;
  • f. de opslag van goederen en materieel in de openlucht en op de agrarische bouwvlakken, voor zover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 4 m;
  • g. de plaatsing van kampeermiddelen waarvan de oppervlakte meer bedraagt dan 25 m2;
  • h. het niet aanleggen van de landschappelijke inpassing, bedoeld in 5.1 onder m, waarbij voor het bestemmingsvlak aan de Veldstraat 1 te Lienden geldt dat sprake is van strijdig gebruik indien de landschappelijke inpassing niet is gerealiseerd binnen twee jaar na gereedmelding van de bebouwing;
  • i. het verwijderen van erfbeplanting of andere landschappelijke inpassingselementen die conform een inrichtingsplan zijn aangelegd;
  • j. het gebruik van bedrijfsgebouwen in het bestemmingsvlak aan de Veldstraat 1 te Lienden, indien niet binnen 1 jaar na ingebruikname van een bedrijfsgebouw aan de Veldstraat 1 tenminste 145 m2 aan bedrijfsgebouwen aan de Burgemeester Houtkoperweg 22 te Lienden (dit betreft gebouw 1 zoals aangegeven in Bijlage 8 Burgemeester Houtkoperweg 22) zijn verwijderd.
5.5 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde:

  • a. in 5.1 voor het verlenen van huisvesting van seizoenarbeiders, met dien verstande dat:
    • 1. de huisvesting uitsluitend bedoeld is voor seizoenarbeiders die tijdelijk werkzaam zijn voor het betreffende agrarische bedrijf;
    • 2. het betreft wisselend gebruik, afhankelijk van de bedrijfsmatige noodzaak in de productiegebonden seizoenen;
    • 3. de aanwezige bedrijfsgebouwen voor dit doel mogen worden ingericht voor een overnachtingsaccommodatie, die niet geschikt is voor zelfstandige bewoning, en/of daarbij behorende voorzieningen;
    • 4. indien aangetoond wordt dat onvoldoende ruimte aanwezig is binnen de aanwezige bedrijfsgebouwen deze voor dit doel ook mogen worden uitgebreid, waarbij de regels voor bedrijfsgebouwen overeenkomstig deze regel van toepassing zijn;
    • 5. indien mogelijkheden voor de sub c genoemde overnachtingsaccommodatie redelijkerwijs ontbreken, in plaats daarvan en maximaal gedurende 4 aaneengesloten maanden, binnen het bouwvlak tijdelijke mobiele woonunits mogen worden geplaatst, met geen groter gezamenlijk oppervlak dan 100 m2, geen hogere hoogte dan 3 m en mits wordt voorzien in een doeltreffende landschappelijke inpassing;
    • 6. aangetoond wordt dat de omvang van de overnachtingsaccommodatie en/of het aantal te realiseren woonunits is afgestemd op de behoefte aan tijdelijke arbeidskrachten;
    • 7. van de sub e genoemde periode kan worden afgeweken indien aangetoond wordt dat de aard van de agrarische bedrijfsvoering noodzaakt tot de huisvesting van seizoenarbeiders buiten de genoemde periode;
    • 8. de functies en waarden die in het plan aan de desbetreffende en aan de omliggende gronden zijn toegekend, niet blijvend onevenredig worden geschaad;
    • 9. voor zover het betreft gronden gelegen buiten de bouwvlakken, uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad en, in geval het bouwwerken betreft, van tevoren in voldoende mate is verzekerd dat wordt voorzien in de aanleg van een landschappelijke beplanting ter inpassing van de bouwwerken die door het verlenen van de omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt;
  • b. in 5.4.1 onder h, ten behoeve van een andere goede landschappelijke inpassing.
5.6 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.6.1 Uitvoeren van werkzaamheden

Het is verboden binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied', zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van grond, puin of afvalmaterialen, voorzover deze van elders zijn aangevoerd;
  • b. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, voorzover dit niet betreft de verzorging van de aanwezige houtopstanden;
  • c. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
  • d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voor zover het niet betreft wegen en paden ten behoeve van het normale agrarische gebruik;
  • e. het dempen, graven, verbreden, verdiepen van waterpartijen en watergangen of het aanbrengen van drainagevoorzieningen.
5.6.2 Uitzonderingen

Het in 5.6.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. werken en werkzaamheden binnen het kader van het normale onderhoud, beheer of herstel van de functies, die het plan aan de gronden toekent;
  • b. werken en werkzaamheden, voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een vergunning is verleend ingevolge de Ontgrondingenwet;
  • c. werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
  • d. werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;
  • e. werken en werkzaamheden ten aanzien waarvan door burgemeester en wethouders is medegedeeld dat deze, wat aard en omvang betreft, van zodanige ondergeschikte betekenis zijn, dat voor de uitvoering daarvan geen omgevingsvergunning wordt vereist.
5.6.3 Onderzoek

Burgemeester en wethouders gaan pas over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, als bedoeld in 5.6.1 , indien uit een nader onderzoek is gebleken dat door de beoogde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan te verwachten directe of indirecte gevolgen, de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot herstel of ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden aangetast en, gehoord de betrokken rivier-, dijk- of waterbeheerder, is gebleken dat hierdoor de waterstaatkundige belangen, de Beleidslijn grote rivieren mede in acht genomen, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

5.7 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders kunnen de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' van de verbeelding verwijderen van het bestemmingsvlak Culemborgseweg ongenummerd, indien de bedrijfsgebouwen in gebruik zijn genomen en het Inrichtingsplan Culemborgseweg ongenummerd is gerealiseerd.

Artikel 6 Agrarisch met waarden - Uiterwaardgebied

6.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Agrarisch met waarden - Uiterwaardgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan een agrarisch uiterwaardgebied;
  • b. het weiden van dieren;
  • c. grondgebonden agrarische productie;
  • d. watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen;
  • e. extensief dagrecreatief medegebruik;

voor zover de gronden op de verbeelding zijn aangeduid als 'bouwvlak', zijn deze gronden tevens bestemd voor:

  • f. bijbehorende be- en verwerking van agrarische producten, productiegebonden detailhandel en detailhandel in streekeigen agrarische producten;
  • g. bijbehorende bewoning, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' de bedrijfswoning mag worden gebruikt als een plattelandswoning;
  • h. recreatief nachtverblijf in de vorm van kleinschalig kamperen.
6.1.1 Waarden

Tot de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de in 6.1 sub a bedoelde gronden worden gerekend:

  • a. reliëf: geulen, ruggen, dijken, kaden en huisterpen; sporen van kleiwinning;
  • b. waterhuishouding: periodieke overstromingen en plaatselijk waterplassen en moerassen;
  • c. gebruik: een agrarisch gebruik, overwegend als grasland;
  • d. verkaveling: een grootschalige, onregelmatige blokverkaveling, die voor een deel het reliëf volgt;
  • e. opgaande beplanting: plaatselijk erf-, kavelgrens- en wegbeplantingen, struwelen en bosjes, met als meest kenmerkende boomsoorten (knot)wilgen, populieren en meidoorns;
  • f. bebouwing: plaatselijk bebouwing op huisterpen;
  • g. flora: zowel droge als natte, halfnatuurlijke, kruidenrijke graslanden, met plaatselijk, in waterplassen en -lopen, water-, moeras- en rietvegetaties en met plaatselijk opgaande beplantingen met bijbehorende onderbegroeiing;
  • h. fauna: weidevogels, waaronder met name weidevogels met een specifieke voorkeur voor natte weidegebieden (zoals grutto en tureluur), watervogels (waaronder eenden, ganzen en zwanen), en diverse soorten amfibieën.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Bouwregels binnen de bouwvlakken

Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Uiterwaardgebied', voor zover dit betreft de agrarische bouwvlakken, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming, niet zijnde kassen en kunststoftunnels en met uitzondering van nog niet bestaande bedrijfsgebouwen ten dienste van recreatief nachtverblijf;
  • b. het bestaande aantal bedrijfswoningen, met dien verstande dat:
    • 1. indien geen bedrijfswoning aanwezig is, maximaal één bedrijfswoning per volwaardig agrarisch bedrijf is toegestaan;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aangegeven aantal;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
  • c. bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de bewoning;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.

Bij de bouw van bouwwerken, voor zover het betreft gebouwen, dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. het bebouwd oppervlak van ieder afzonderlijk gebouw mag niet meer bedragen dan 110% van de bebouwde oppervlakte van het betreffende gebouw volgens Bijlage 7 Staat van oppervlakten;
  • b. de inhoud van ieder afzonderlijk gebouw mag niet meer bedragen dan 110% van de bestaande inhoud van het betreffende, onder a bedoelde gebouw;
  • c. in plaats van ieder afzonderlijk gebouw mag het gestelde onder a en onder b ook worden toegepast op naar functie en op hetzelfde perceel bij elkaar behorende gebouwen;
  • d. de afstand tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m.
a Bedrijfsgebouwen

Bij de bouw van de in 6.2.1 sub a bedoelde bedrijfsgebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. van de gezamenlijke bedrijfsgebouwen ten behoeve van de niet-grondgebonden agrarische productie mag het totale oppervlak niet meer bedragen dan 500 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5 m.
b Bedrijfswoningen

Bij de bouw van de in 6.2.1 sub b bedoelde bedrijfswoningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;

met dien verstande dat, indien de bestaande inhoud, bouwhoogte of goothoogte groter respectievelijk hoger is, deze grotere of hogere maat maatgevend is.

c Bijbehorende bouwwerken

Bij de bouw van de in 6.2.1 sub c bedoelde bijbehorende bouwwerken dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. per bedrijfswoning mogen niet meer dan 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd en mag het totale oppervlak van de bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 75 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
d Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van de in 6.2.1 sub d bedoelde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
  • b. de bouwhoogte van mest- en voedersilo's en bio-installaties mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • c. de wandhoogte van mestbassins mag niet meer bedragen dan 4 m;
  • d. de bouwhoogte van vrijstaande antennemasten mag niet meer bedragen dan 15 m;
  • e. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 9 m.
6.2.2 Bouwregels buiten de bouwvlakken

Op de gronden met de bestemming 'Agrarisch - Uiterwaardgebied' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming worden gebouwd met in acht name van de volgende bepalingen:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
6.3 Specifieke gebruiksregels
6.3.1 Strijdig gebruik

Als gebruik in strijd met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Uiterwaardgebied' wordt in ieder geval begrepen:

  • a. een gebruik als volkstuin;
  • b. een gebruik voor niet-grondgebonden agrarische productie in de vorm van teelt in kassen of kunststoftunnels, teelt op tray-velden of op stellingen, teelt op folie of worteldoek en/of containerteelt op lavas of beton;
  • c. een gebruik voor de verwerking van agrarische producten en productiegebonden detailhandel;
  • d. de opslag van mest, goederen en materieel buiten de agrarische bouwpercelen;
  • e. de opslag van goederen en materieel in de openlucht, op de agrarische bouwpercelen, voorzover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 4 m.
  • f. de plaatsing van kampeermiddelen waarvan de lengte meer bedraagt dan 8 m en de breedte meer bedraagt dan 2,5 m.
6.3.2 Toegestaan gebruik

Tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt niet gerekend het gebruiken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - plattelandswoning' van een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting door een derde voor bewoning, indien en voor zover de bedrijfswoning ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht wordt beschouwd als onderdeel van die inrichting.

6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
6.4.1 Uitvoeren van werkzaamheden

Het is verboden binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Uiterwaardgebied', zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van grond, puin of afvalmaterialen, voorzover deze van elders zijn aangevoerd;
  • b. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, voorzover dit niet betreft de verzorging van de aanwezige houtopstanden;
  • c. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
  • d. het aanplanten van een houtopstand;
  • e. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
  • f. het dempen, graven, verbreden, verdiepen van waterpartijen en watergangen of het aanbrengen van drainagevoorzieningen;
  • g. het scheuren van grasland anders dan werkzaamheden ter vervanging van een bestaand grasland of het toepassen van wisselteelt.
6.4.2 Uitzonderingen

Het in 6.4.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. werken en werkzaamheden binnen het kader van het normale onderhoud, beheer of herstel van de functies, die het plan aan de gronden toekent;
  • b. werken en werkzaamheden, voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een vergunning is verleend ingevolge de Ontgrondingenwet;
  • c. werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
  • d. werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;
  • e. werken en werkzaamheden ten aanzien waarvan door burgemeester en wethouders is medegedeeld dat deze, wat aard en omvang betreft, van zodanige ondergeschikte betekenis zijn, dat voor de uitvoering daarvan geen omgevingsvergunning wordt vereist.
6.4.3 Onderzoek

Burgemeester en wethouders gaan pas over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, als bedoeld in 6.4.1 indien uit een nader onderzoek is gebleken dat door de beoogde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan te verwachten directe of indirecte gevolgen, de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot herstel of ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden aangetast en, gehoord de betrokken rivier-, dijk- of waterbeheerder, is gebleken dat hierdoor de waterstaatkundige belangen, de Beleidslijn grote rivieren mede in acht genomen, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

Artikel 7 Bedrijf

7.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'transportbedrijf' uitsluitend een transportbedrijf;
  • b. bijbehorende voorzieningen en opslag;
  • c. erfbeplanting en/of de landschappelijke inpassing;

met bijbehorende:

  • d. bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming;
  • e. bijbehorende bewoning;
  • f. bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning;
  • g. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Toegestane bebouwing

Op gronden met de bestemming 'Bedrijf' mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bedrijfsgebouwen;
  • b. één bedrijfswoning per bestemmingsvlak;
  • c. bouwwerken, geen gebouw zijnde.
7.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van de in 7.2.1 onder a bedoelde bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van een bedrijfsgebouw mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • b. de goothoogte van een bedrijfsgebouw mag niet meer bedragen dan 5 m.
  • c. de afstand van een gebouw tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'transportbedrijf' geldt dat het bebouwd oppervlak van de gebouwen niet meer mag bedragen dan 110% van het bestaand bebouwd oppervlak;
  • e. voor zover de op de verbeelding voor 'Bedrijf' aangewezen gronden voor meer dan één zijde grenzen aan gronden met de bestemming 'Agrarisch met waarden - Komgebied' of ' Waarde - Cultuurhistorie' mag per bestemmingsvlak het bebouwd oppervlak van de gebouwen niet meer bedragen dan 120% van het bestaand bebouwd oppervlak, waarbij de uitbreiding ten opzichte van het bestaand bebouwd oppervlak niet meer mag bedragen dan 375 m2;
  • f. voor zover de op de verbeelding voor 'Bedrijf' aangewezen gronden niet voor meer dan één zijde grenzen aan de sub e genoemde bestemmingen, mag per bestemmingsvlak het bebouwd oppervlak van de gebouwen, indien behorend bij een bedrijf met een bestaande omvang kleiner dan 500 m2, niet meer bedragen dan 140% van het bestaande bebouwd oppervlak en, indien behorend bij een bedrijf met een bestaande omvang groter dan 500 m2, niet meer bedragen dan 130% van 500 m2 plus 110% van het bestaande bebouwd oppervlak boven de 500 m2;
  • g. bouwwerken uitsluitend mogen worden gebouwd op gronden die op de verbeelding niet zijn aangeduid als 'vrijwaringszone - weg'.
7.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van de in 7.2.1 onder b bedoelde bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. indien nog geen bedrijfswoning aanwezig is of indien sprake is van de vervanging van een bestaande bedrijfswoning, mag de bedrijfswoning uitsluitend in- of aanpandig met, dan wel op ten hoogste 5 m van een bedrijfsgebouw worden gebouwd;
  • b. bouwwerken uitsluitend mogen worden gebouwd op gronden die op de verbeelding niet zijn aangeduid als 'vrijwaringszone - weg';
  • c. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 750 m3;
  • d. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • e. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • f. per bedrijfswoning mogen niet meer dan 2 vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd en mag het totale oppervlak van de bijgebouwen niet meer bedragen dan 75 m2;
  • g. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • h. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
7.2.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van de in 7.2.1 onder c bedoelde bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van vrijstaande antennemasten mag niet meer bedragen dan 15 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
7.3 Specifieke gebruiksregels

Als gebruik in strijd met de bestemming 'Bedrijf' wordt in ieder geval begrepen de opslag van goederen en materieel in de openlucht, niet zijnde automobielen en vrachtwagens.

Artikel 8 Bedrijf - Agrarisch verwant

8.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Bedrijf - Agrarisch verwant' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de agrarisch verwante bedrijvigheden zoals deze voor de desbetreffende gronden met een aanduiding op de verbeelding nader zijn aangeduid en hieronder zijn omschreven:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - loonwerkbedrijf' een loonwerkbedrijf;
  • b. bijbehorende voorzieningen en opslag, waarbij voor het bestemmingsvlak aan Mierlingsestraat 22 te Erichem geldt dat opslag en stalling uitsluitend is toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'opslag';
  • c. bijbehorende bewoning;
  • d. landschappelijke beplanting, waarbij voor het bestemmingsvlak Mierlingsestraat 22 te Erichem geldt dat landschappelijke inpassing dient plaats te vinden conform Bijlage 3 Inrichtingsplan Mierlingsestraat 22.
8.2 Bouwregels
8.2.1 Toegestane bebouwing

Op de gronden met de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch verwant' mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming;
  • b. één bedrijfswoning per bestemmingsvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
  • c. bijgebouwen ten behoeve van de bedrijfswoning;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.

Bij de bouw van de in 8.2.1 bedoelde bouwwerken, voor zover het betreft gebouwen, dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de afstand tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m;
  • b. deze bouwwerken mogen uitsluitend worden gebouwd op gronden die op de verbeelding niet zijn aangeduid als 'vrijwaringszone - weg'.
8.2.2 Bedrijfsgebouwen

Bij de bouw van de in 8.2.1 onder a bedoelde bedrijfsgebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. het bebouwd oppervlak van de gebouwen mag niet meer bedragen dan:
    • 1. 202 m2 in het bestemmingsvlak aan Essenbos 10 te Maurik;
    • 2. 1.040 m2 in het bestemmingsvlak aan Mierlingsestraat 22 te Erichem;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 5 m.
8.2.3 Bedrijfswoningen

Bij de bouw van de in 8.2.1 onder b bedoelde bedrijfswoningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. indien nog geen bedrijfswoning aanwezig is of indien sprake is van de vervanging van een bestaande bedrijfswoning, mag de bedrijfswoning uitsluitend in- of aanpandig met, dan wel op ten hoogste 5 m van een bedrijfsgebouw worden gebouwd;
  • b. de inhoud mag niet meer bedragen dan 750 m3;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 12 m;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 6 m;

met dien verstande dat, indien de bestaande inhoud, bouwhoogte of goothoogte groter respectievelijk hoger is, deze grotere of hogere maat maatgevend is.

8.2.4 Bijgebouwen bij bedrijfswoningen

Bij de bouw van de in 8.2.1 onder c bedoelde bijgebouwen bij bedrijfswoningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. per bedrijfswoning mogen niet meer dan 2 vrijstaande bijgebouwen worden gebouwd en mag het totale oppervlak van de bijgebouwen niet meer bedragen dan 75 m2, met dien verstande dat voor het perceel Essenbos 10 geldt dat de oppervlakte niet meer dan 150 m2 mag bedragen;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
8.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van de in 8.2.1 onder d bedoelde bijgebouwen bij bedrijfswoningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de bouwhoogte van vrijstaande antennemasten mag niet meer bedragen dan 15 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
8.3 Specifieke gebruiksregels

Als gebruik in strijd met de bestemming 'Bedrijf - Agrarisch verwant' wordt in ieder geval begrepen:

  • a. de opslag van goederen en materieel in de openlucht, voor zover de hoogte van de opslag meer bedraagt dan 4 m of de opslag plaatsvindt binnen de gronden die op de verbeelding zijn aangeduid als 'vrijwaringszone - weg', met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'opslag' de hoogte van de opslag en stalling niet meer bedraagt dan 8 meter;
  • b. het niet aanleggen en het niet in stand houden van de landschappelijke inpassing als bedoeld in Bijlage 3 Inrichtingsplan Mierlingsestraat 22.
8.4 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.1 onder f en 8.3 onder b ten behoeve van een andere landschappelijke inpassing op het perceel Mierlingsestraat 22 te Erichem.

Artikel 9 Bedrijf - Beperkt

9.1 Bestemmingsomschrijving

De op verbeelding voor 'Bedrijf - Beperkt' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de niet-agrarische bedrijvigheden die gebruik maken van bestaande (vrijgekomen agrarische bedrijfs-)gebouwen, zoals deze voor de desbetreffende gronden met een aanduiding op de verbeelding nader zijn aangeduid en hieronder met de bijbehorende bestemmingsfunctie nader zijn benoemd, met in acht name van de opgenomen beperking van de bedrijfsvloeroppervlakte daarvan binnen de bestaande bedrijfsgebouwen;
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - autohandel' uitsluitend een autohandel;
    • 2. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' voor de stalling van auto's;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - uitsluitend beplanting' uitsluitend voor beplanting;
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van groen - opgaande beplanting' voor uitsluitend opgaande beplanting;
  • d. bijbehorende voorzieningen;
  • e. bijbehorende bewoning;
  • f. landschappelijke beplanting;
  • g. watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Toegestane bebouwing

Op gronden met de bestemming 'Bedrijf - Beperkt' mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. bedrijfsgebouwen ten behoeve van de bestemming;
  • b. één bedrijfswoning per bestemmingsvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
  • c. bij de bedrijfswoning behorende bijbehorende bouwwerken;
  • d. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming;
  • e. voor gebouwen geldt dat de afstand tot de perceelsgrens niet minder mag bedragen dan 5 m.
9.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van de in 9.2.1 sub a genoemde bedrijfsgebouwen gelden de volgende bepalingen:

  • a. het bebouwd oppervlak mag niet meer bedragen dan het bestaande bebouwd oppervlak;
  • b. bij (algehele) vernieuwing mogen de gebouwen uitsluitend op dezelfde plaats worden herbouwd;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte, met dien verstande dat een grotere goothoogte tot maximaal 5 m is toegestaan, mits de totale oppervlakte en inhoud van de bedrijfsgebouwen niet toeneemt als gevolg van deze grotere goothoogte.
9.2.3 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van de in 9.2.1 sub b genoemde bedrijfswoningen gelden de volgende bepalingen:

  • a. de inhoud van bedrijfswoningen met een bestaande inhoud tot 300 m3 mag worden vergroot tot maximaal 400 m3;
  • b. de inhoud van bedrijfswoningen met een bestaande inhoud van meer dan 300 m3 mag eenmalig worden vermeerderd met maximaal 100 m3, tot een maximale inhoud van 750 m3;
  • c. de bouwhoogte mag maximaal 12 m bedragen;
  • d. de goothoogte mag maximaal 6 m bedragen;

met dien verstande dat, indien de bestaande inhoud, bouwhoogte of goothoogte groter respectievelijk hoger is, deze grotere of hogere maat maatgevend is.

9.2.4 Bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van de in 9.2.1 sub c genoemde bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. per bedrijfswoning mogen niet meer dan 2 vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd en mag het totale oppervlak van de bijbehorende bouwwerken niet meer bedragen dan 75 m2;
  • b. de bouwhoogte mag maximaal 7 m bedragen;
  • c. de goothoogte mag maximaal 3 m bedragen;
9.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van de in 9.2.1 sub d genoemde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van vrijstaande antennemasten mag maximaal 15 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 2,5 m bedragen.
9.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik strijdig met de bestemming 'Bedrijf - Beperkt' wordt in ieder geval begrepen:

  • a. de opslag van goederen en materieel in de openlucht, inclusief het ten verkoop uitstallen van automobielen, met dien verstande dat dit niet geldt ter plaatse van de aanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf - autohandel' en 'opslag';
  • b. het niet aanleggen en het niet in stand houden van minimaal 11 parkeerplaatsen in het bestemmingsvlak aan de Voorkoopstraat 1a te Beusichem.

Artikel 10 Gemengd - Landgoed

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Gemengd - Landgoed' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan landgoederen;
  • b. watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen;
  • c. extensief dagrecreatief medegebruik;
  • d. (onverharde) paden en wegen;

waarbij ter plaatse van de aanduiding:

  • e. 'agrarisch' de gronden bestemd zijn voor grondgebonden agrarische productie (beweiding);
  • f. 'bomenrij' de gronden bestemd zijn voor de aanleg van een bomenrij behorende bij het landgoed;
  • g. 'bos' de gronden bestemd zijn voor de aanleg van bos behorende bij het landgoed;
  • h. 'geluidwal' de gronden bestemd zijn voor de aanleg van een geluidswal behorende bij het landgoed met een hoogte van maximaal 1,5 m;
  • i. 'specifieke vorm van groen - bomenlaan' de gronden bestemd zijn voor de aanleg van een bomenlaan behorende bij het landgoed;
  • j. 'specifieke vorm van groen - struweel' de gronden bestemd zijn voor de aanleg van struweel behorende bij het landgoed.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Toegestane bebouwing

Op gronden met de bestemming 'Gemengd - Landgoed' mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. molens ten behoeve van de waterhuishouding;
  • b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.
10.2.2 Molens

Voor het bouwen van het in 10.2.1 sub a bedoelde molens geldt dat de nokhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m.

10.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van de in 10.2.1 sub b bedoelde overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de bouwhoogte van een uitkijktoren of een boswachterszit mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2 m.
10.3 Specifieke gebruiksregels

Als gebruik in strijd met de bestemming 'Gemengd - Landgoed' wordt in ieder geval begrepen:

  • a. een gebruik als volkstuin;
  • b. een gebruik voor niet-grondgebonden agrarische productie in de vorm van teelt op tray-velden of op stellingen en/of containerteelt op lavas of beton;
  • c. een gebruik voor de verwerking van agrarische producten en productiegebonden detailhandel;
  • d. de opslag van mest, goederen en materieel in de openlucht;
  • e. de plaatsing van kampeermiddelen.
10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
10.4.1 Uitvoeren van werkzaamheden

Het is verboden binnen de bestemming 'Gemengd - Landgoed', zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van baggerspecie, grond, puin of afvalmaterialen, voorzover deze van elders zijn aangevoerd;
  • b. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, voorzover dit niet betreft de verzorging van de aanwezige houtopstanden;
  • c. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
  • d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voorzover het niet betreft paden ten behoeve van de ontsluiting en ten behoeve van het normale beheer;
  • e. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterpartijen en watergangen of het aanbrengen van drainagevoorzieningen.
10.4.2 Uitzonderingen

Het in 10.4.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. werken en werkzaamheden binnen het kader van het normale onderhoud, beheer of herstel van de functies, die het plan aan de gronden toekent;
  • b. werken en werkzaamheden, voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een vergunning is verleend ingevolge de Ontgrondingenwet;
  • c. werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
  • d. werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;
  • e. werken en werkzaamheden ten aanzien waarvan door burgemeester en wethouders is medegedeeld dat deze, wat aard en omvang betreft, van zodanige ondergeschikte betekenis zijn, dat voor de uitvoering daarvan geen omgevingsvergunning wordt vereist;
  • f. werken en werkzaamheden die zijn gericht op de realisering van het inrichtingsplan dat door het bevoegd gezag is goedgekeurd;
  • g. werken en werkzaamheden indien en voor zover de Boswet van toepassing is;
  • h. een geluidswal met een hoogte van maximaal 1,5 m ter plaatse van de aanduiding 'geluidswal'.
10.4.3 Onderzoek

Burgemeester en wethouders gaan pas over tot het verlenen van een omgevingsvergunning, als bedoeld in 10.4.1 , indien uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

Artikel 11 Groen - Beplantingsstrook

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Groen - Beplantingsstrook ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. de aanleg en instandhouding van afschermende groenvoorzieningen, bestaande uit hoogopgaande gebiedseigen beplanting;
  • b. bestaande schouwstroken;
  • c. in- en uitritten die noodzakelijk zijn in verband met aangrenzende bestemmingen;
  • d. voorzieningen voor de waterhuishouding, waterberging, waterzuivering en hemelwaterinfiltratie;
  • e. nutsvoorzieningen.
11.2 Bouwregels

Op gronden met de bestemming ' Groen - Beplantingsstrook ' mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, met een bouwhoogte van niet meer dan 2,5 m en een oppervlakte van niet meer dan 10 m2.

11.3 Specifieke gebruiksregels

Als gebruik in strijd met de bestemming 'Groen - Beplantingsstrook' wordt in ieder geval begrepen het niet aanleggen en het niet in stand houden van hoogopgaande, gebiedseigen beplanting.

Artikel 12 Natuur

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Natuur ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden, waaronder in het bestemmingsvlak aan de Molenstraat 30 te Ingen wordt verstaan een inrichting conform Bijlage 6 Inrichtingsplan Molenstraat 30;
  • b. watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen;
  • c. extensief dagrecreatief medegebruik.
12.1.1 Waarden

Tot de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de in 12.1  bedoelde gronden worden gerekend:

  • a. grondgebruik: een gebruik als bos- en natuurgebied met een extensief beheer; en/of een gebruik als natuurgebied met een extensief beheer;
  • b. opgaande beplanting: bos, met als meest kenmerkende boomsoorten elzen, eiken, essen en iepen;
  • c. bebouwing: het ontbreken van bebouwing;
  • d. flora: opgaande beplantingen met bijbehorende onderbegroeiing en/of water-, moeras- en rietvegetaties;
  • e. fauna: diersoorten die zijn gebonden aan opgaande beplantingen (zoals vleermuizen, zang- en roofvogels en kleine zoogdieren, waaronder marterachtigen), watervogels (waaronder eenden, ganzen en zwanen), moeras- en rietvogels en diverse soorten amfibieën;
  • f. waterhuishouding: open water en moeras.
12.2 Bouwregels
12.2.1 Algemeen

Op de gronden met de bestemming ' Natuur ' mogen uitsluitend de volgende bouwwerken worden gebouwd:

  • a. molens ten behoeve van de waterhuishouding;
  • b. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.
12.2.2 Molens

Voor de bouw van de in 12.2.1 sub a bedoelde molens geldt dat de nokhoogte niet meer mag bedragen dan 6 meter.

12.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor de bouw van de in 12.2.1 sub b bedoelde bouwwerken geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 2,5 m.

12.3 Specifieke gebruiksregels

Als gebruik in strijd met de bestemming ' Natuur ' wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het niet inrichten van de gronden in het bestemmingsvlak aan de Molenstraat 30 te Ingen conform Bijlage 6 Inrichtingsplan Molenstraat 30 (van welk plan alleen de landschappelijke inpassingselementen bindend zijn, zoals de losse rij bomen, de natuurvriendelijke oever en de bodempassage/wadi; niet de bebouwing) binnen twee jaar na gereedmelding van de bebouwing in de aangrenzende bestemming;
  • b. het verwijderen van beplanting of andere landschappelijke inpassingselementen die conform een inrichtingsplan zijn aangelegd.
12.4 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 12.3 ten behoeve van een andere inrichting van de gronden voor de ontwikkeling van landschappelijke waarden en natuurwaarden.

12.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
12.5.1 Uitvoeren van werkzaamheden

Het is verboden binnen de bestemming ' Natuur ', zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van grond, puin of afvalmaterialen, voorzover deze van elders zijn aangevoerd;
  • b. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, voorzover dit niet betreft de verzorging van de aanwezige houtopstanden;
  • c. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
  • d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voorzover het niet betreft paden ten behoeve van het normale beheer;
  • e. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterpartijen en watergangen of het aanbrengen van drainagevoorzieningen.
12.5.2 Uitzonderingen

Het in 12.5.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. werken en werkzaamheden binnen het kader van het normale onderhoud, beheer of herstel van de functies, die het plan aan de gronden toekent;
  • b. werken en werkzaamheden, voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een vergunning is verleend ingevolge de Ontgrondingenwet;
  • c. werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
  • d. werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;
  • e. werken en werkzaamheden op gronden welke nader zijn aangeduid voor ' vrijwaringszone - weg ';
  • f. werken en werkzaamheden ten aanzien waarvan door burgemeester en wethouders is medegedeeld dat deze, wat aard en omvang betreft, van zodanige ondergeschikte betekenis zijn, dat voor de uitvoering daarvan geen omgevingsvergunning wordt vereist.
12.5.3 Onderzoek

Burgemeester en wethouders gaan pas over tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, als bedoeld in 12.5.1 , indien uit een nader onderzoek is gebleken dat door de beoogde werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan te verwachten directe of indirecte gevolgen, de landschappelijke waarden en de natuurwaarden, die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

Artikel 13 Recreatie - Centrale voorzieningen

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Recreatie - Centrale voorzieningen ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. beheersvoorzieningen ten behoeve van het aansluitende verblijfsrecreatie- en/of dagrecreatieterrein;
  • b. facilitaire voorzieningen ten behoeve van de recreanten van het aansluitende verblijfsrecreatie- en/of dagrecreatieterrein, waaronder begrepen facilitaire ruimten, opslag, linnenkamer, sanitaire voorzieningen en wasruimten;
  • c. gemeenschappelijke voorzieningen ten behoeve van de recreanten van het aansluitende verblijfsrecreatie- en/of dagrecreatieterrein, waaronder begrepen een sportveld, een ligweide, een zwembad, speelvoorzieningen, slechtweervoorzieningen, winkelvoorzieningen, horecavoorzieningen, met dien verstande dat een manege en/of het houden van vee niet onder gemeenschappelijke voorzieningen worden begrepen;
  • d. parkeervoorzieningen, waarbij geldt dat ten minste moet zijn voorzien in minimaal 1 parkeerplaats per recreatiewoning en per kampeermiddel, hetzij in het bestemmingsvlak van de onderhavige bestemming, hetzij in het aangrenzende bestemmingsvlak 'Recreatie - Kampeerterrein', 'Recreatie - Verblijfsrecreatie tot en met 55 m2', of 'Recreatie - Verblijfsrecreatie tot en met 75 m2';
  • e. trekkershutten;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning' mede voor een recreatiewoning;
  • g. bedrijfswoningen, waarbij geldt dat het gezamenlijke aantal bedrijfswoningen in dit bestemmingsvlak en in andere bestemmingsvlakken ten behoeve van centrale voorzieningen niet meer mag bedragen dan aangegeven in de tabel in 13.2.2 ;
  • h. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, voetpaden, verkeersvoorzieningen en nutsvoorzieningen.
13.2 Bouwregels
13.2.1 Algemeen

Op de gronden met de bestemming ' Recreatie - Centrale voorzieningen ' mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming.

13.2.2 Gebouwen

Bij de bouw van gebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen in dit bestemmingsvlak en in andere bestemmingsvlakken ten behoeve van centrale voorzieningen mag niet meer bedragen dan de in de tabel genoemde maximale oppervlakte:
    bestemmingsvlak   maximale oppervlakte   aantal bedrijfswoningen  
    Rijnstraat 72, Ingen (Van Sijl)   892 m2   1  
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  • c. de goothoogte mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • d. de afstand tot de bestemmingsgrens moet minimaal 2,5 m bedragen.
13.2.3 Trekkershutten

Bij de bouw van trekkershutten dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. het gezamenlijke aantal trekkershutten in dit bestemmingsvlak en in andere bestemmingsvlakken ten behoeve van centrale voorzieningen mag niet meer dan 10 bedragen;
  • b. de oppervlakte per trekkershut mag niet meer dan 12 m2 bedragen;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • d. bij een trekkershut is geen berging toegestaan.
13.2.4 Recreatiewoning

Bij de bouw van de recreatiewoning ter plaatse van de aanduiding 'recreatiewoning' dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de totale oppervlakte inclusief aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 55 m2;
  • b. de totale inhoud inclusief aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en kelders mag niet meer bedragen dan 300 m3;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
13.2.5 Bedrijfswoning

Bij de bouw van een bedrijfswoning met bijbehorende aan-, uit- en bijgebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de inhoud van de bedrijfswoning mag niet meer dan 750 m3 bedragen;
  • b. de bouwhoogte van de bedrijfswoning mag niet meer dan 12 m;
  • c. de goothoogte van de bedrijfswoning mag niet meer dan bedragen 6 m;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' uitsluitend een bedrijfswoning is toegestaan;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte van de aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 75 m2;
  • f. de bouwhoogte van aanbouwen en uitbouwen mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • g. het aantal vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 2;
  • h. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • i. de goothoogte van vrijstaande bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 3 m.
13.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • b. de bouwhoogte van toestellen voor sport en spel, verwijsborden en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
  • d. per verblijfsrecreatieterrein mag niet meer dan één windturbine worden gebouwd, waarvan de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 18 m;
  • e. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
13.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en afmeting van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. het bebouwingsbeeld;
  • b. de landschappelijke inpassing;
  • c. de milieusituatie;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden.
13.4 Afwijken van de bouwregels
13.4.1 Grotere oppervlakte centrale voorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van 13.2.2 onder a en een grotere oppervlakte ten behoeve van centrale voorzieningen toestaan, met dien verstande dat:

  • a. de uitbreiding niet meer dan 25% mag bedragen;
  • b. de uitbreiding uitvoerbaar is met het oog op beschermde flora en fauna;
  • c. wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • d. de uitbreiding wordt gerealiseerd in samenhang met een door burgemeester en wethouders goed te keuren erfinrichtingsplan, waarin aandacht wordt besteed aan ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing;
  • e. bij een toename van het aantal verkeersbewegingen de toeleidende wegen daarvoor geschikt zijn;
  • f. geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van nabijgelegen gronden;
13.4.2 Tweede bedrijfswoning

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van 13.1  onder g juncto  13.2.2 onder a en een tweede bedrijfswoning toestaan, mits:

  • a. vanuit bedrijfsmatig oogpunt is aangetoond dat de bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering;
  • b. de bedrijfswoning uit milieuhygiënisch oogpunt geen onevenredige belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven;
  • c. het terrein tenminste 10 ha groot is;
  • d. afschermende beplanting in de aan het bestemmingsvlak grenzende bestemming ' Groen - Beplantingsstrook ' is gerealiseerd, indien en voor zover deze aangrenzend aan het bouwperceel is gelegen.

Artikel 14 Recreatie - Verblijfsrecreatie tot en met 55 m2

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Recreatie - Verblijfsrecreatie tot en met 55 m2 ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. verblijfsrecreatie door middel van recreatiewoningen en/of kampeermiddelen, waarbij:
    • 1. geldt dat het bouwperceel van een recreatiewoning een oppervlakte dient te hebben van ten minste vier maal de oppervlakte van de recreatiewoning;
    • 2. geldt dat de oppervlakte van een standplaats niet minder mag bedragen dan drie maal de oppervlakte van een stacaravan, indien de standplaats is bedoeld voor een stacaravan;
    • 3. ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie uitgesloten' geldt dat geen recreatiewoningen en geen kampeermiddelen zijn toegestaan;
  • b. parkeervoorzieningen, waarbij geldt dat ten minste moet zijn voorzien in minimaal 1 parkeerplaats per recreatiewoning en per kampeermiddel, hetzij in het bestemmingsvlak van de onderhavige bestemming, hetzij in het aangrenzende bestemmingsvlak 'Recreatie - Centrale voorzieningen';
  • c. sanitaire voorzieningen en schuilgelegenheid;
  • d. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals speelvoorzieningen - waaronder niet worden begrepen zwembaden, een manege en het houden van vee -, groen, water, nutsvoorzieningen en verkeersvoorzieningen.
14.2 Bouwregels
14.2.1 Algemeen

Op de gronden met de bestemming ' Recreatie - Verblijfsrecreatie tot en met 55 m2 ' mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming.

14.2.2 Recreatiewoningen

Bij de bouw van recreatiewoningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de totale oppervlakte inclusief aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 55 m2 per recreatiewoning;
  • b. de totale inhoud inclusief aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en kelders mag niet meer bedragen dan 300 m3 per recreatiewoning;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
  • d. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • e. indien de recreatiewoningen niet aaneengebouwd (geschakeld) worden, mag de onderlinge afstand tussen recreatiewoningen niet minder dan 5 m bedragen en mag de afstand tot de bouwperceelgrens niet minder dan 2,5 m bedragen;
  • f. bergingen mogen niet vrijstaand worden gebouwd.
  • g. de toevoeging, uitbreiding of verbouw van een recreatiewoning mag pas worden gerealiseerd als de afschermende beplanting in de aan het bestemmingsvlak grenzende bestemming 'Groen - Beplantingsstrook' is gerealiseerd, indien en voor zover deze aangrenzend aan het bouwperceel is gelegen.
14.2.3 Kampeermiddelen

Bij de bouw van kampeermiddelen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de totale oppervlakte inclusief aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 55 m2 per kampeermiddel, met dien verstande dat op de standplaatsen voor stacaravans per standplaats één berging met een oppervlakte van 6 m2 en bij de toegangsdeur een opstap en een afdak van 2 m2 mogen worden geplaatst;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3,3 m;
  • c. indien de kampeermiddelen niet aaneengebouwd (geschakeld) worden, mag de onderlinge afstand tussen kampeermiddelen niet minder dan 5 m bedragen en mag de afstand tot de standplaatsgrens niet minder dan 2,5 m bedragen;
  • d. de toevoeging, uitbreiding of verbouw van een kampeermiddel mag pas worden gerealiseerd als de afschermende beplanting in de aan het bestemmingsvlak grenzende bestemming 'Groen - Beplantingsstrook' is gerealiseerd, indien en voor zover deze aangrenzend aan de standplaats is gelegen.
14.2.4 Trekkershutten

Bij de bouw van trekkershutten dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. het aantal trekkershutten mag niet meer dan 10 bedragen;
  • b. de oppervlakte per trekkershut mag niet meer dan 12 m2 bedragen;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m;
  • d. bij een trekkershut is geen berging toegestaan.
14.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van bouwwerken, geen gebouwen zijnde dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de bouwhoogte van vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 8 m;
  • b. de bouwhoogte van toestellen voor sport en spel, verwijsborden en lichtmasten mag niet meer bedragen dan 6 m;
  • c. de bouwhoogte van erfafscheidingen mag niet meer bedragen dan 2,5 m;
  • d. de bouwhoogte van andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 3 m.
14.3 Afwijken van de bouwregels
14.3.1 Geringere afstand

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 14.2.2 onder e en 14.2.3 onder c en een geringere afstand worden toegestaan, indien brandwerende voorzieningen zijn getroffen.

14.3.2 Afwegingskader

Tot het afwijken van het bepaalde in 14.3.1 onder b wordt pas overgegaan, indien en voor zover de uitbreiding wordt gerealiseerd in samenhang met een door burgemeester en wethouders goed te keuren erfinrichtingsplan, waarin aandacht wordt besteed aan ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing.

14.4 Afwijken van de gebruiksregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 14.1 en ter plaatse van de aanduiding 'verblijfsrecreatie uitgesloten' kampeermiddelen en/of recreatiewoningen toestaan, als en voor zover de fruitteelt is beëindigd, indien door middel van onderzoek is aangetoond dat een aanvaardbaar woon- en leefmilieu bij de omliggende gevoelige functies kan worden gewaarborgd.

Artikel 15 Sport

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Sport' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. sport- en speelvelden, waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'tennisbaan' uitsluitend een tennisbanencomplex is toegestaan;
  • b. bij de sporthal behorende ondergeschikte horeca bij de sporthal;
  • c. voorzieningen voor het verenigingsleven, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'cultuur en ontspanning';
  • d. verkeers- en verblijfsdoeleinden in de vorm van ontsluitingswegen, fiets- en voetpaden;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' uitsluitend parkeervoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. voorzieningen voor de waterhuishouding, waterberging, waterzuivering en hemelwaterinfiltratie;
  • h. nutsvoorzieningen;
  • i. bijbehorende voorzieningen.
15.2 Bouwregels
15.2.1 Toegestane bebouwing

Op gronden met de bestemming 'Sport' mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. gebouwen, geen woning zijnde, en overkappingen;
  • b. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
15.2.2 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van de in 15.2.1 sub a bedoelde gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. indien in het bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, mogen gebouwen uitsluitend worden gebouwd in het bouwvlak;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen en overkappingen mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)' aangegeven oppervlakte;
  • c. de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 5 m;
  • d. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 10 m;
  • e. de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 7 m.
15.2.3 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van de in 15.2.1 sub b bedoelde bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van ballenvangers en vlaggenmasten mag niet meer bedragen dan 9 m;
  • b. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer bedragen dan 18 m, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - lichtmasten' de bouwhoogte van de lichtmasten niet meer dan 15 m mag bedragen;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
15.3 Afwijken van de bouwregels
15.3.1 Afwijken

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

  • a. 15.2.2 onder b en kan worden toegestaan dat ten behoeve van een derde sportzaal de gezamenlijke oppervlakte gebouwen en overkappingen meer bedraagt dan 1.600 m2, mits:
    • 1. de oppervlakte wordt vergroot met maximaal 400 m2;
    • 2. de noodzaak van een derde sportzaal is aangetoond;
    • 3. aangetoond is dat voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn;
    • 4. de landschappelijke inpassing is aangetoond;
  • b. 15.2.2 onder b en kan worden toegestaan dat ten behoeve van de tennisbaan de oppervlakte wordt vergroot met 100 m2.
15.3.2 Afwegingskader

Een in 15.3.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de nabijgelegen gronden.

Artikel 16 Verkeer

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Verkeer ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen, parkeerplaatsen en fiets- en voetpaden met bermen;
  • b. bijbehorende voorzieningen;
  • c. buis- en kabelleidingen voor riolering, nutsbedrijven en overeenkomende doeleinden;
  • d. watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder begrepen;
  • e. instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan wegbermen.
16.2 Bouwregels
16.2.1 Algemeen

Op de gronden met de bestemming ' Verkeer ' mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. masten ten behoeve van verlichting en verkeers- en verwijsborden;
  • b. abri's en rijwielstallingen;
  • c. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming.
16.2.2 Masten

Bij de bouw van de in 16.2.1 sub a bedoelde masten geldt dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 10 m.

16.2.3 Abri's en rijwielstallingen

Bij de bouw van de in 16.2.1 sub b bedoelde bouwwerken dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 15 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
16.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van de in 16.2.1 sub c bedoelde bouwwerken dienen de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • a. de oppervlakte mag niet meer bedragen dan 10 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m.

Artikel 17 Water

17.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterpartijen, watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen;
  • b. instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan waterpartijen, watergangen en aan bijbehorende oeverzones, waaronder natuurvriendelijke oevers;
  • c. extensief dagrecreatief medegebruik.
17.2 Bouwregels
17.2.1 Toegestane bebouwing

Op de gronden met de bestemming 'Water' mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming, waaronder mede begrepen duikers en overkluizingen.

17.2.2 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Voor het bouwen van de in 17.2.1 genoemde bouwwerken gelden de volgende bepalingen:

  • a. de oppervlakte, behoudens bij duikers en overkluizingen, mag niet meer bedragen dan 10 m2;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 2,5 m.

Artikel 18 Wonen

18.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bewoning;
  • b. bijbehorende voorzieningen;
  • c. landschappelijke beplanting;
  • d. (ondergrondse) waterhuishoudkundige voorzieningen, waterlopen en waterpartijen;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' mede voor kleinschalig kamperen;

met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - VAB' bijgebouwen met een gezamenlijke oppervlakte van 375 m2 kunnen worden ingezet binnen de gemeentelijke VAB-regeling.

18.2 Bouwregels
18.2.1 Toegestane bebouwing

Op de gronden met de bestemming 'Wonen' mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. woongebouwen met bijbehorende bouwwerken;
  • b. vrijstaande woningen met bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de bestemming;

met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • d. de bebouwing moet worden gesitueerd binnen dat deel van het bestemmingsvlak dat is gelegen achter de bestaande voorgevel, waarbij niet meer dan 50% van dit deel tot het bebouwd oppervlak mag behoren;
  • e. de afstand van de woning tot de perceelsgrens mag niet minder bedragen dan 3 m;
  • f. indien in het bestemmingsvlak een bouwvlak is opgenomen, moet het woongebouw en moeten de woningen in het bouwvlak worden gebouwd.
18.2.2 Woongebouwen

Bij de bouw van de in 18.2.1 sub a bedoelde woongebouwen en bijbehorende bouwwerken dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. een woongebouw mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen';
  • b. het aantal wooneenheden binnen het woongebouw moet zoveel bedragen als op de verbeelding is weergegeven;
  • c. de voorgevel dient in dan wel evenwijdig aan, tot maximaal 3 m achter, de naar de weg gekeerde bouwgrens te worden geplaatst;
  • d. de inhoud van het woongebouw mag maximaal 750 m3 bedragen;
  • e. de goothoogte mag maximaal 6 m bedragen, tenzij op de verbeelding door middel van een maatvoeringsaanduiding een andere maximale goothoogte is aangegeven;
  • f. de bouwhoogte mag maximaal 12 m bedragen, tenzij op de verbeelding door middel van een maatvoeringsaanduiding een andere maximale bouwhoogte is aangegeven;
  • g. de woning moet met een kap worden afgedekt, waarvan de dakhelling ten minste 30 graden en niet meer dan 60 graden bedraagt;
  • h. voor de bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    • 1. per woongebouw mag maximaal één (vrijstaand) bijbehorend bouwwerk worden gebouwd;
    • 2. het bijbehorende bouwwerk mag uitsluitend gebouwd worden binnen de bouwvlakken of binnen de aanduiding ‘bijgebouwen’;
    • 3. het oppervlak van het bijbehorend bouwwerk mag maximaal 80 m2 bedragen;
    • 4. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 7 m;
    • 5. de goothoogte mag niet meer bedragen dan 3 m.
18.2.3 Vrijstaande woningen

Bij de bouw van de in 18.2.1 sub b bedoelde vrijstaande woningen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. ter plaatse van de aanduiding ‘vrijstaand’ zijn uitsluitend vrijstaande woningen toegestaan, met dien verstande dat een nieuwe woning in het bestemmingsvlak aan Laageinde 49 te Kapel-Avezaath uitsluitend mag worden gebouwd onder de voorwaarde van sloop van de oude woning met bijgebouwen binnen een jaar na gereedmelding van de eerste nieuwe woning;
  • b. indien in het bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, mag een woning uitsluitend worden gebouwd in het bouwvlak;
  • c. het bestaande aantal woningen mag niet worden gewijzigd, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal woningen niet meer mag bedragen dan het aangegeven aantal;
  • d. indien het betreft volledige herbouw of vervanging, moet de nieuwe woning op de plaats van de te herbouwen of te vervangen woning worden gebouwd, met dien verstande dat op het perceel Marsdijk 20 te Lienden de nieuwe woning uitsluitend mag worden gebouwd ter plaatse van het bouwvlak en conform de situering zoals opgenomen in Bijlage 4 Bouwplan Marsdijk 20 en onder de voorwaarde van sloop van de oude woning binnen een jaar na gereedmelding van de nieuwe woning;
  • e. indien het betreft een vergroting van de inhoud van het gebouw waarin de woning is opgenomen, is deze vergroting slechts toegestaan voorzover de toegestane vergroting van de woning niet of niet doelmatig binnen de bestaande inhoud van dat gebouw kan worden verwezenlijkt;
  • f. de inhoud van woningen met een bestaande inhoud tot 300 m3 mag worden vergroot tot 400 m3;
  • g. de inhoud van woningen met een bestaande inhoud van meer dan 300 m3 mag worden vergroot met maximaal 100 m3 tot maximaal 750 m3;
  • h. de goothoogte mag maximaal 6 m bedragen;
  • i. de bouwhoogte mag maximaal 12 m bedragen;
  • j. de woning moet met een kap worden afgedekt, waarvan de dakhelling ten minste 30 graden en niet meer dan 60 graden bedraagt.
  • k. voor de bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
    • 1. per woning mogen niet meer dan twee vrijstaande bijbehorende bouwwerken worden gebouwd;
    • 2. de gezamenlijke oppervlakte van de bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 75 m2 bedragen;
    • 3. in afwijking van het bepaalde onder 2 mag ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' op de locatie Rijnstraat 2 de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedragen dan 150 m2 waarbij nieuwbouw pas mag plaatsvinden na verwijdering van (delen van) een of meer bestaande gebouwenwaardoor de oppervlakte maximaal 150 m2 bedraagt;
    • 4. in afwijking van het bepaalde onder 2 mag ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwd oppervlakte' op de locatie Burgemeester Houtkoperweg 22 te Lienden de gezamenlijke oppervlakte niet meer bedragen dan 325 m2, indien en voor zover gebouwen zijn verwijderd conform Bijlage 8 Burgemeester Houtkoperweg 22 te Lienden (gebouw 1 dient te zijn verwijderd binnen 1 jaar na ingebruikname van een bedrijfsgebouw aan de Veldstraat 1, gebouwen 2 en 3 dienen te zijn verwijderd bij vervreemding van het perceel);
    • 5. de bouwhoogte mag niet meer bedragen 7 m;
    • 6. de goothoogte mag niet meer bedragen 3 m;
    • 7. indien het bijbehorend bouwwerk een traditionele hooiberg betreft mag, in de laagste stand van het dak, de bouwhoogte niet meer bedragen dan 10 m en de goothoogte niet meer dan 6 m;

met dien verstande dat, indien de bestaande inhoud, bouwhoogte of goothoogte van de woning groter respectievelijk hoger is, deze grotere of hogere maat maatgevend is.

18.2.4 Bouwwerken, geen gebouw zijnde

Bij de bouw van de in 18.2.1 sub c bedoelde bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. de bouwhoogte van vrijstaande antennemasten mag niet meer bedragen dan 15 m;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan 2,5 m.
18.3 Afwijken van de bouwregels
18.3.1 Inhoud woning

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 18.2.2 sub d voor de bouw van een woning tot meer dan de toegestane inhoud, indien en voor zover de overschrijding van de toegestane inhoud niet meer bedraagt dan 10 m3 per 50 m2 te slopen surplus aan bijbehorende bouwwerken op het desbetreffende erf en niet meer dan 100 m3 en tot een absoluut maximum van 750 m3.

18.3.2 Bijbehorende bouwwerken

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 18.2.2 sub h onder 3, tot een totaal bebouwd oppervlak voor bijbehorende bouwwerken van maximaal 200 m2, indien en voor zover de overschrijding van het toegestane oppervlak niet meer bedraagt dan 25% van het oppervlak van een te slopen surplus aan bijbehorende bouwwerken op het desbetreffende erf en deze bepaling niet cumulatief wordt toegepast met het bepaalde in 18.3.3 .

18.3.3 Agrarische nevenactiviteiten

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 18.2.2 sub h onder 3, tot een totaal bebouwd oppervlak voor bijbehorende bouwwerken van maximaal 200 m2 voor agrarische nevenactiviteiten, daaronder begrepen het hobbymatig houden van dieren, indien en voor zover:

  • a. het bijbehorende huisperceel tenminste 2.500 m2 bedraagt;
  • b. tezamen met het huisperceel een perceel grond, binnen het grondgebied van de gemeente Buren, van tenminste 7.500 m2 in eigendom is;
  • c. deze bepaling niet cumulatief wordt toegepast met het bepaalde in 18.3.2 .
18.4 Specifieke gebruiksregels

In een bestemmingsvlak met de aanduiding 'kampeerterrein' mogen bijbehorende bouwwerken bij de woning worden gebruikt voor voorzieningen ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein.

Artikel 19 Wonen - Landgoed

19.1 Bestemmingsomschrijving

De op de verbeelding voor 'Wonen - Landgoed' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bewoning met bijbehorende voorzieningen en landschappelijke beplantingen;
  • b. instandhouding, dan wel herstel en ontwikkeling, van de landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan buitenplaatsen en landgoederen;
  • c. watergangen en daarbij behorende voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding, de waterberging daaronder mede begrepen.
19.2 Bouwregels
19.2.1 Toegestane bebouwing

Op de gronden met de bestemming 'Wonen - Landgoed' mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. één vrijstaande woning per bouwvlak, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' het aantal maximaal het aangegeven aantal mag bedragen;
  • b. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen' twee wooneenheden onder-een-kap per bouwvlak;
  • c. bijgebouwen;
  • d. molens ten behoeve van de waterhuishouding;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
19.2.2 Hoofdgebouwen

Bij de bouw van de in 19.2.1 sub a en sub b bedoelde hoofdgebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. de afstand van hoofdgebouwen tot de perceelsgrens dient minimaal 5 m te bedragen;
  • c. de inhoud van een hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 1.500 m3, met uitzondering van hoofdgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' waar de inhoud van een hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 2.000 m3; 
  • d. de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven bouwhoogte;
  • e. de goothoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' aangegeven goothoogte;
  • f. hoofdgebouwen dienen te worden afgedekt met een kap, waarvan de minimale dakhelling 30º en de maximale dakhelling 60º bedraagt, tenzij een samengesteld dak/gebroken dak wordt toegepast, dan dient de minimale dakhelling 20º en de maximale dakhelling 75º te bedragen;
  • g. indien binnen een bouwvlak twee woningen zijn toegestaan dienen deze woningen middels bouwwerken, geen gebouwen zijnde, dan wel middels bijgebouwen aan elkaar te worden gekoppeld.
19.2.3 Bijgebouwen

Bij de bouw van de in 19.2.1 sub c bedoelde bijgebouwen dienen de volgende bepalingen in acht genomen te worden:

  • a. bijgebouwen mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd;
  • b. bijgebouwen dienen tenminste 1 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw te worden gebouwd;
  • c. de oppervlakte aan bijgebouwen bij één hoofdgebouw mag niet meer bedragen dan 150 m2 met uitzondering van bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering' waar de oppervlakte aan bijgebouwen bij één hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 200 m2;
  • d. de bouwhoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 8 m, met uitzondering van bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering', waar de bouwhoogte van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 9 m;
  • e. de goothoogte van bijgebouwen mag niet meer bedragen dan 4 m, met uitzondering van bijgebouwen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - afwijkende maatvoering', waar de goothoogte van bijgebouwen niet meer mag bedragen dan 5 m.
19.2.4 Molens ten behoeve van de waterhuishouding

Bij de bouw van de in 19.2.1 sub d bedoelde molens ten behoeve van de waterhuishouding geldt dat de nokhoogte niet meer mag bedragen dan 6 m.

19.2.5 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Bij de bouw van de in 19.2.1 sub e bedoelde bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan 2,5 m.

19.3 Specifieke gebruiksregels

Onder gebruik in strijd met de bestemming wordt in ieder geval begrepen:

  • a. de opslag van mest, goederen en materieel in de open lucht;
  • b. de plaatsing van kampeermiddelen.
19.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
19.4.1 Uitvoeren werkzaamheden

Het is verboden binnen de bestemming 'Wonen - Landgoed' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. werken en werkzaamheden die direct zijn gericht op het storten, deponeren of op andere wijze opslaan van baggerspecie, grond, puin of afvalmaterialen, voor zover deze van elders zijn aangevoerd;
  • b. het vellen, rooien of beschadigen van houtgewas, voor zover dit niet betreft de verzorging van de aanwezige houtopstanden;
  • c. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
  • d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, voor zover het niet betreft paden ten behoeve van de ontsluiting en ten behoeve van het normale beheer;
  • e. het graven, verbreden, verdiepen of dempen van waterpartijen en watergangen of het aanbrengen van drainagevoorzieningen.
19.4.2 Uitzonderingen

Het in 19.4.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. werken en werkzaamheden die zijn gericht op de realisering van het inrichtingsplan dat door het bevoegd gezag is goedgekeurd;
  • b. werken en werkzaamheden binnen het kader van het normale onderhoud, beheer of herstel van de functies, die het plan aan de gronden toekent;
  • c. werken en werkzaamheden, voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een vergunning is verleend ingevolge de Ontgrondingenwet;
  • d. werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
  • e. werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;
  • f. werken en werkzaamheden ten aanzien waarvan door het bevoegd gezag is medegedeeld dat deze, wat aard en omvang betreft, van zodanige ondergeschikte betekenis zijn, dat voor de uitvoering daarvan geen omgevingsvergunning wordt vereist;
  • g. werken en werkzaamheden voor zover de Boswet van toepassing is.
19.4.3 Onderzoek

Het bevoegd gezag gaat pas over tot het verlenen van een omgevingsvergunning, als bedoeld in 19.4.1 , indien uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de landschappelijke waarden en de natuurwaarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden, of de mogelijkheden tot het herstel of de ontwikkeling van deze waarden, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

Artikel 20 Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 1

20.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

20.2 Bouwregels

Op gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 1' mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan voor de andere voor deze gronden aangegeven bestemmingen:

  • a. indien het bouwwerken betreft waarbij de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 30 cm, of:
  • b. indien het bouwwerken betreft met geen grotere oppervlakte dan 1.000 m2; of:
  • c. indien het bouwwerk dient ter vervanging van een bestaand bouwwerk, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid; of:
  • d. indien het bouwwerk is gesitueerd binnen 3 m uit de fundering van een bestaand gebouw; of:
  • e. indien het betreft bouwwerken die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
20.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 20.2  voor de bouw van bouwwerken, indien en voor zover deze zijn toegestaan voor de in de bestemmingsomschrijving van dit artikel bedoelde, eveneens voor deze gronden aangegeven, andere bestemmingen, en uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de archeologische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden niet blijvend onevenredig worden geschaad, dan wel indien deze archeologische waarden kunnen en zullen worden veiliggesteld door het uitvoeren van een archeologisch onderzoek.

20.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
20.4.1 Uitvoeren van werkzaamheden

Het is verboden binnen de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 1' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  • a. het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  • b. het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren of het aanbrengen van drainage;
  • c. het verwijderen van bestaande funderingen;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanplanten van een houtopstand, waaronder begrepen een bos, boomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij of windsingel, of het rooien daarvan waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden/- banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
20.4.2 Uitzonderingen

Het in 20.4.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. werken en werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld of werken en werkzaamheden die geen grotere oppervlakte betreffen dan 1.000 m2;
  • b. werken en werkzaamheden voor zover het betreft voortzetting van de bestaande agrarische teelt, of, indien (uit historisch (kaart)materiaal blijkt dat) sprake is van wisselteelt met een ten opzichte van het voorgaande gewas diepwortelender gewas, daardoor geen sprake is van een in verband met het archeologisch belang nadeliger verstoring van de bodem;
  • c. werken en werkzaamheden ten behoeve van laanboomteelt en fruitteelt;
  • d. werken en werkzaamheden die het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande oppervlakteverhardingen, beplantingen langs wegen en bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • e. werken en werkzaamheden, indien en voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  • f. werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
  • g. werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;
  • h. werken en werkzaamheden die archeologisch onderzoek betreffen.
20.4.3 Onderzoek

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 20.4.1 , kan alleen worden verleend, indien uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de archeologische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden niet blijvend onevenredig worden geschaad, dan wel indien deze archeologische waarden kunnen en zullen worden veiliggesteld.

Artikel 21 Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 2

21.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

21.2 Bouwregels

Op gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 2' mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan voor de andere voor deze gronden aangegeven bestemmingen:

  • a. indien het bouwwerken betreft waarbij de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 30 cm; of
  • b. indien het bouwwerken betreft met geen grotere oppervlakte dan 2.000 m2; of
  • c. indien het bouwwerk dient ter vervanging van een bestaand bouwwerk, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid; of
  • d. indien het bouwwerk is gesitueerd binnen 3 m uit de fundering van een bestaand gebouw; of
  • e. indien het betreft bouwwerken die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
21.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 21.2  voor de bouw van bouwwerken, indien en voor zover deze zijn toegestaan voor de in de bestemmingsomschrijving van dit artikel bedoelde, eveneens voor deze gronden aangegeven, andere bestemmingen, en uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de archeologische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden niet blijvend onevenredig worden geschaad, dan wel indien deze archeologische waarden kunnen en zullen worden veiliggesteld door het uitvoeren van een archeologisch onderzoek.

21.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
21.4.1 Uitvoeren van werkzaamheden

Het is verboden binnen de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 2' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  • a. het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  • b. het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren of het aanbrengen van drainage;
  • c. het verwijderen van bestaande funderingen;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanplanten van een houtopstand, waaronder begrepen een bos, boomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij of windsingel, of het rooien daarvan waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden/- banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
21.4.2 Uitzonderingen

Het in 21.4.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. werken en werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld of werken en werkzaamheden die geen grotere oppervlakte betreffen dan 2.000 m2;
  • b. werken en werkzaamheden voor zover het betreft voortzetting van de bestaande agrarische teelt, of, indien (uit historisch (kaart)materiaal blijkt dat) sprake is van wisselteelt met een ten opzichte van het voorgaande gewas diepwortelender gewas, daardoor geen sprake is van een in verband met het archeologisch belang nadeliger verstoring van de bodem;
  • c. werken en werkzaamheden ten behoeve van laanboomteelt en fruitteelt;
  • d. werken en werkzaamheden die het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande oppervlakteverhardingen, beplantingen langs wegen en bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • e. werken en werkzaamheden, indien en voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  • f. werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
  • g. werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;
  • h. werken en werkzaamheden die archeologisch onderzoek betreffen.
21.4.3 Onderzoek

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 21.4.1 , kan alleen worden verleend, indien uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de archeologische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden niet blijvend onevenredig worden geschaad, dan wel indien deze archeologische waarden kunnen en zullen worden veiliggesteld.

Artikel 22 Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 3

22.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 3' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

22.2 Bouwregels

Op gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 3' mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken, voor zover deze zijn toegestaan voor de andere voor deze gronden aangegeven bestemmingen:

  • a. indien het bouwwerken betreft waarbij de grondwerkzaamheden niet dieper reiken dan 30 cm; of
  • b. indien het bouwwerken betreft met geen grotere oppervlakte dan 30 m2; of
  • c. indien het bouwwerk dient ter vervanging van een bestaand bouwwerk, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid; of
  • d. indien het bouwwerk is gesitueerd binnen 3 m uit de fundering van een bestaand gebouw; of
  • e. indien het betreft bouwwerken die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn.
22.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 22.2  voor de bouw van bouwwerken, indien en voor zover deze zijn toegestaan voor de in de bestemmingsomschrijving van dit artikel bedoelde, eveneens voor deze gronden aangegeven, andere bestemmingen, en uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de archeologische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden niet blijvend onevenredig worden geschaad, dan wel indien deze archeologische waarden kunnen en zullen worden veiliggesteld door het uitvoeren van een archeologisch onderzoek.

22.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
22.4.1 Uitvoeren van werkzaamheden

Het is verboden binnen de gronden met de bestemming 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 3' de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  • a. het afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen van gronden;
  • b. het graven of vergraven, verruimen of dempen van sloten, vijvers en andere wateren of het aanbrengen van drainage;
  • c. het verwijderen van bestaande funderingen;
  • d. het verlagen van het waterpeil;
  • e. het tot stand brengen en/of in exploitatie brengen van boor- en pompputten;
  • f. het uitvoeren van heiwerken en/of indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem;
  • g. het aanplanten van een houtopstand, waaronder begrepen een bos, boomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij of windsingel, of het rooien daarvan waarbij stobben worden verwijderd;
  • h. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, voet-, ruiter- of rijwielpaden/- banen of parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen;
  • i. het aanleggen van nieuwe ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.
22.4.2 Uitzonderingen

Het in 22.4.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. werken en werkzaamheden in de bodem tot een diepte van 0,30 m onder het bestaande maaiveld of werken en werkzaamheden die geen grotere oppervlakte betreffen dan 30 m2;
  • b. werken en werkzaamheden voor zover het betreft voortzetting van de bestaande agrarische teelt, of, indien (uit historisch (kaart)materiaal blijkt dat) sprake is van wisselteelt met een ten opzichte van het voorgaande gewas diepwortelender gewas, daardoor geen sprake is van een in verband met het archeologisch belang nadeliger verstoring van de bodem;
  • c. werken en werkzaamheden ten behoeve van laanboomteelt en fruitteelt;
  • d. werken en werkzaamheden die het gewone onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande oppervlakteverhardingen, beplantingen langs wegen en bestaande tracés van kabels en leidingen;
  • e. werken en werkzaamheden, indien en voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een omgevingsvergunning is verleend;
  • f. werken en werkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
  • g. werken en werkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken;
  • h. werken en werkzaamheden die archeologisch onderzoek betreffen.
22.4.3 Onderzoek

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 22.4.1 , kan alleen worden verleend, indien uit een nader onderzoek is gebleken dat hierdoor de archeologische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden niet blijvend onevenredig worden geschaad, dan wel indien deze archeologische waarden kunnen en zullen worden veiliggesteld.

Artikel 23 Waarde - Cultuurhistorie

23.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor behoud en herstel van de cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende gronden. Tot deze cultuurhistorische waarden worden gerekend:

  • a. reliëf: de ruggen, geulen, dijken, kaden en huisterpen;
  • b. waterhuishouding: de contouren van de waterpartijen;
  • c. verkaveling: de tracés en patronen van de kavelgrenzen, wegen en waterlopen;
  • d. bebouwing: de locaties van de bebouwing, zoals deze op de desbetreffende gronden voorkomen, dan wel uit historische bronnen bekend zijn.
23.2 Bouwregels

Op gronden met de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' gelegen buiten een bouwvlak van een enkelbestemming mogen geen bouwwerken worden gebouwd.

23.3 Afwijken van de bouwregels
23.3.1 Afwijken

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 23.2 voor de bouw van bouwwerken, indien en voor zover deze zijn toegestaan voor de in de bestemmingsomschrijving van dit artikel bedoelde, eveneens voor deze gronden aangegeven, andere bestemmingen, en gehoord de gemeentelijke monumentencommissie, is gebleken dat hierdoor het cultuurhistorisch waardevolle karakter van het gebied niet blijvend onevenredig wordt aangetast.

23.3.2 Criteria

Indien op grond van 23.3.1 bij een omgevingsvergunning wordt afgeweken dienen tevens de volgende bepalingen in acht te worden genomen:

  • a. de hoofdnokrichting van hoofdgebouwen dient overeenkomstig de bestaande hoofdnokrichting te zijn;
  • b. de hoofdgebouwen dienen voorzien te worden van een kap waarvan de dakhelling overeenkomstig de bestaande dakhelling dient te zijn;
  • c. voor het bouwen van hoofdgebouwen mag de bouwhoogte, respectievelijk de goothoogte niet meer dan 0,5 m afwijken van de bestaande bouwhoogte respectievelijk goothoogte; het bepaalde ten aanzien van de bouwhoogte en de goothoogte volgens de bestemmingsbepalingen van de eveneens voor deze gronden aangegeven, andere bestemmingen, blijven daarbij buiten toepassing;

met dien verstande dat van het bovenstaande kan worden afgeweken indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische waarde ter plaatse, de gemeentelijke monumentencommissie is gehoord en een positief advies heeft gegeven.

23.4 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
23.4.1 Verbod

Het is verboden op gronden met de bestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' een bouwwerk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk.

23.4.2 Uitzonderingen

Het in 23.4.1 vervatte verbod geldt niet voor:

  • a. sloopwerkzaamheden die het gewone onderhoud betreffen;
  • b. sloopwerkzaamheden, indien en voor zover daarvoor, op het tijdstip van het van kracht worden van het plan, reeds een omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk is verleend;
  • c. sloopwerkzaamheden die ten tijde van het van kracht worden van het plan in uitvoering waren;
  • d. sloopwerkzaamheden die zijn bedoeld om de directe gevolgen van calamiteiten of plagen te beperken.
23.4.3 Onderzoek

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 23.4.1 , kan alleen worden verleend indien, gehoord de gemeentelijke monumentencommissie is gebleken dat hierdoor de cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende bouwwerken niet blijvend onevenredig worden geschaad, dan wel indien deze cultuurhistorische waarden kunnen en zullen worden veiliggesteld dan wel worden teruggebracht.

Artikel 24 Waterstaat - Waterkering

24.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waterstaat - Waterkering' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor:

  • a. het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering;
  • b. bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kunstwerken, dijksloten en andere waterstaatswerken.
24.2 Bouwregels

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in 24.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zonder waterkerende functie bedraagt ten hoogste 3 m;
  • c. ten behoeve van andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag niet worden gebouwd.
24.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met omgevingsvergunning afwijken van 24.2 sub c met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels worden in acht genomen;
  • b. het belang van de waterkering wordt niet onevenredig geschaad en vooraf wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 25 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 26 Algemene bouwregels

26.1 Monumentale en karakteristieke bebouwing
26.1.1 Bestemmingsomschrijving

De als 'specifieke bouwaanduiding - monument' of 'karakteristiek' aangewezen bebouwing is, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding van de monumentale of karakteristieke hoofdvorm van de bestaande hoofdgebouwen.

26.1.2 Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
a Vergunningplicht

Het is verboden bebouwing met de bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - monument' of 'karakteristiek' geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag.

b Uitzonderingen

Het in 26.1.2 sub a vervatte verbod geldt niet voor werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van het plan.
c Criteria

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de monumentale of karakteristieke hoofdvorm van de bebouwing;
  • b. de monumentale of karakteristieke hoofdvorm niet langer aanwezig is en niet zonder ingrijpende wijzigingen aan het gebouw kan worden hersteld;
  • c. de monumentale of karakteristieke hoofdvorm in redelijkheid niet te handhaven is;
  • d. het delen van een hoofdgebouw betreft, die op zichzelf niet als karakteristiek vallen aan te merken, en door sloop daarvan geen onevenredige aantasting van de karakteristieke hoofdvorm plaatsvindt.
d Voorwaarde

Een omgevingsvergunning, zoals bedoeld in 26.1.2 sub a , kan alleen worden verleend indien, gehoord de gemeentelijke monumentencommissie is gebleken dat hierdoor cultuurhistorische waarden die eigen zijn aan de desbetreffende bouwwerken niet blijvend onevenredig worden geschaad, dan wel indien deze cultuurhistorische waarden kunnen en zullen worden veiliggesteld dan wel worden teruggebracht.

26.2 Overschrijding van bouwgrenzen

Van bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mag met een omgevingsvergunning afgeweken worden van het bepaalde in hoofdstuk 2 van deze regels, ten behoeve van tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits:

  • a. de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m;
  • b. de bouwhoogte van entreeportalen en veranda's niet meer bedraagt dan de bouwhoogte van de eerste bouwlaag van het betreffende gebouw;
  • c. de breedte van entreeportalen en veranda's niet meer bedraagt dan 50% van de breedte van de betreffende gevel van het gebouw.

Artikel 27 Algemene gebruiksregels

27.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met de regels van dit plan wordt in ieder geval verstaan:

  • a. gebruik van gronden of bouwwerken voor permanente bewoning, met uitzondering van de toegelaten (bedrijfs)woningen;
  • b. gebruik als seksinrichting;
  • c. gebruik als escortbedrijf,
  • d. gebruik als smartshop;
  • e. gebruik als coffeeshop;
  • f. gebruik als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, anders dan als stort- en/of opslagplaats voor normaal gebruik;
  • g. het gebruik van gronden en opstallen voor de plaatsing van kampeermiddelen;
  • h. het gebruik als paardenbak, tennisbaan, vijver groter dan 10 m2, zwembad groter dan 10 m2 en (midget)golf;
  • i. het gebruik ten behoeve van een geluidzoneringsplichtige inrichting;
  • j. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken en bedrijfsgebouwen voor bewoning;
27.1.1 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen afwijken van het bepaalde in 27.1 , indien en voor zover strikte toepassing zou leiden tot een niet door dringende redenen gerechtvaardigde beperking van het meest doelmatige gebruik.

Artikel 28 Algemene aanduidingsregels

28.1 geluidzone - 57 dB contour Betuweroute
28.1.1 Aanduidingsomschrijving

De als 'geluidzone - 57 dB contour Betuweroute' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor de bescherming c.q. instandhouding van de geluidsruimte in verband met de nabijheid van de spoorlijn de Betuweroute als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder.

28.1.2 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone - 57 dB contour Betuweroute' mogen uitsluitend nieuwe woningen en andere in de zin van de Wet geluidhinder gevoelige gebouwen worden gebouwd, indien de geluidsbelasting vanwege de spoorlijn de Betuweroute van de gevels van deze geluidgevoelige bebouwing niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde.

28.1.3 Gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming wordt in ieder geval gerekend het gebruik van niet-geluidgevoelige gebouwen voor geluidgevoelige functies.

28.1.4 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 28.1.3 en toestaan dat niet-geluidgevoelige gebouwen worden gebruikt voor een geluidgevoelige functie, mits de geluidsbelasting vanwege de spoorlijn de Betuweroute van de gevels van deze geluidgevoelige bebouwing niet hoger zal zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde, of een verkregen hogere grenswaarde.

28.2 geluidzone - industrie
28.2.1 Bouwregels

Ter plaatse van de aanduiding ' geluidzone - industrie ' is de bouw van geluidgevoelige objecten niet toegestaan, waarbij onder geluidsgevoelige objecten worden verstaan:

  • a. woningen;
  • b. basisscholen, scholen voor voortgezet onderwijs, instellingen voor hoger beroepsonderwijs;
  • c. algemene, categorale en academische ziekenhuizen, alsmede verpleeghuizen en andere gezondheidszorggebouwen.
28.2.2 Specifieke gebruiksregels

Ter plaatse van de aanduiding ' geluidzone - industrie ' wordt als strijdig gebruik, in ieder geval gerekend het gebruik van niet-geluidgevoelige objecten als geluidgevoelig object.

28.3 milieuzone - teeltvrijezone
28.3.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - teeltvrije zone' is het verboden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van productieboomgaarden;
  • b. het aanleggen van boomkwekerijen.
28.3.2 Afwijken van de gebruiksregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 28.3.1 als door middel van onderzoek is aangetoond dat een aanvaardbaar woon- en leefmilieu bij de omliggende gevoelige functies kan worden gewaarborgd.

28.4 vrijwaringszone - dijk 1
28.4.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 1' zijn de gronden, naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens aangeduid voor de bescherming, onderhoud en instandhouding van de waterkering.

28.4.2 Bouwregels

Ter plaatse van gronden met de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 1' mag niet worden gebouwd;

28.4.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van 28.4.2 , met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels worden in acht genomen;
  • b. het belang van de waterkering wordt niet onevenredig geschaad en vooraf wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder.
28.5 vrijwaringszone - dijk 2

Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - dijk 2' zijn de gronden naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, aangeduid als buitenbeschermingszone van de waterkering.

28.6 vrijwaringszone - molenbiotoop
28.6.1 Aanduidingsomschrijving

De op de verbeelding als ' vrijwaringszone - molenbiotoop ' aangewezen gronden zijn bestemd voor het beschermen van de functie van de in dit gebied voorkomende molen als werktuig en van de waarde als landschapsbepalend element, met dien verstande dat de gronden tevens zijn bestemd voor de op de verbeelding eveneens aangegeven overige bestemmingen.

28.6.2 Bouwregels

Op de in 28.6.1 bedoelde gronden mogen bouwwerken worden opgericht die, voor zover zij meer dan 100 m van de voet van de molen verwijderd zijn, een maximale bouwhoogte mogen hebben van 1/75 van de afstand gemeten tussen het bouwwerk en de voet van de molen, vermeerderd met 2,65 m.

28.6.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het gestelde in 28.6.2 voor het bouwen van bouwwerken met een grotere maximale bouwhoogte, waarbij de maximale bouwhoogte niet meer mag bedragen dan volgens de overigens voor de betreffende gronden aangegeven bestemmingen is toegestaan en, gehoord de gemeentelijke Monumentencommissie, is gebleken dat hierdoor de windbelemmering niet dusdanig wijzigt dat de betreffende molen onvoldoende kan functioneren of anderszins blijvend onevenredig in zijn waarde wordt geschaad. Tot afwijking wordt alleen overgegaan, indien hierdoor:

  • a. de functies en waarden die in het plan aan de desbetreffende en aan de omliggende gronden zijn toegekend, niet blijvend onevenredig worden geschaad;
  • b. geen strijdigheid ontstaat met de aan het plan ten grondslag liggende Structuurvisie Buren 2009-2019, vastgesteld op 27 oktober 2009.
28.6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

Het is verboden op de gronden met de aanduiding ' vrijwaringszone - molenbiotoop ' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden de gronden te beplanten met bomen, heesters en andere opgaande begroeiing.

Deze werken en werkzaamheden zijn slechts toelaatbaar, indien daardoor dan wel door de daarvan, hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, zoals door windbelemmering of belemmering van het uitzicht, geen onevenredig gevaar oplevert of kan opleveren voor het huidige en/of toekomstige functioneren als werktuig en/of voor de waarde van de molen als landschapsbepalend element.

Wanneer burgemeester en wethouders beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, welke op grond van de overige in het plan aan de gronden gegeven bestemmingen is vereist, betrekken zij in hun overwegingen omtrent de toelaatbaarheid tevens het gestelde in deze bepaling.

28.7 vrijwaringszone - weg
28.7.1 Aanduidingsomschrijving

De op de verbeelding als 'vrijwaringszone - weg' aangewezen gronden zijn bestemd voor de bescherming van het gebruik van de naastgelegen verkeerswegen, met dien verstande dat de gronden tevens zijn bestemd voor de op de verbeelding eveneens aangegeven overige bestemmingen.

28.7.2 Bouwregels

Op de gronden met de aanduiding 'vrijwaringszone - weg' mogen geen bouwwerken worden gebouwd.

28.7.3 Afwijken van de bouwregels

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 28.7.2 , voor de bouw van bouwwerken:

  • a. indien en voor zover deze zijn toegestaan voor de in 28.7.1 bedoelde, eveneens op de verbeelding voor deze gronden aangegeven, overige bestemmingen;
  • b. indien hierdoor:
    • 1. de functies en waarden die in het plan aan de desbetreffende en aan de omliggende gronden zijn toegekend, niet blijvend onevenredig worden geschaad;
    • 2. gehoord de betrokken wegbeheerder, is gebleken dat hierdoor de belangen van de bescherming van de desbetreffende verkeerswegen, of de veiligheid van mensen, dieren en goederen, niet blijvend onevenredig worden geschaad.

Artikel 29 Algemene afwijkingsregels

29.1 Bed & breakfast

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor de inrichting en het gebruik van woningen ten behoeve van bed & breakfast, waaronder wordt verstaan een kleinschalige aan de woonfunctie ondergeschikte accommodatie voor uitsluitend logies en ontbijt en bedoeld voor kortstondig, wisselend recreatief verblijf, indien en voor zover:

  • a. het betreft een woning, die tevens bewoond blijft;
  • b. geen groter vloeroppervlak dan 60 m2 ten behoeve van bed & breakfast in beslag wordt genomen;
  • c. niet meer dan 3 slaapkamers, ten behoeve van maximaal 6 personen, van de betreffende woning worden ingericht en gebruikt voor bed & breakfast;
  • d. de bed & breakfast voorziening niet functioneert als een zelfstandige woning;
  • e. parkeren plaats vindt op eigen terrein;
  • f. van tevoren in voldoende mate is verzekerd dat het beoogde gebruik geen onevenredig nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van de omliggende woningen of voor de bedrijfsvoering van omliggende bedrijven.
29.2 Kleine uitbouwen woningen

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor de bouw van kleine uitbouwen aan woningen, indien en voor zover:

  • a. de overschrijding van een krachtens het plan aangegeven begrenzing niet meer bedraagt dan 2 m;
  • b. de oppervlakte van de uitbouw niet meer bedraagt dan 6 m2.
29.3 Mantelzorg

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor de verbouw van een woning in verband met het verlenen van mantelzorg, indien en voor zover:

  • a. er, ingeval er geen ouder/kind relatie is, sprake is van een vastgestelde medische indicatie;
  • b. de verbouw noodzakelijk is om te voorzien in de behoefte aan inwoning ten behoeve van mantelzorg;
  • c. de inwoning plaats vindt in het hoofdgebouw en geen groter vloeroppervlak in beslag neemt dan 75 m2;
  • d. er sprake is van een gemeenschappelijke entree;
  • e. het verbouwde gedeelte voor inwoning technisch/functioneel altijd weer bij de oorspronkelijke woning kan worden betrokken;
  • f. indien in voldoende mate aangetoond kan worden dat geen (volledig) gebruik kan worden gemaakt van de woning, mag naast of in plaats van inwoning door verbouw van de woning ook inwoning plaats vinden in een bestaand bijbehorend bouwwerk, mits voldaan wordt aan het volgende:
    • 1. de vloeroppervlakte in gebruik ten behoeve van mantelzorg mag niet meer bedragen dan 60 m2;
    • 2. de afstand van het bijbehorend bouwwerk tot de woning mag niet meer bedragen dan 12 m;
    • 3. de getroffen functionele voorzieningen worden na afloop van het gebruik verwijderd.
29.4 Aan huis gebonden nevenactiviteiten en kantoor- en praktijkruimten

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor een gebruik ten behoeve van aan huis gebonden nevenactiviteiten en kantoor- en praktijkruimten, indien en voor zover:

  • a. de desbetreffende woning bewoond blijft;
  • b. het vloeroppervlak van de gebouwen ten behoeve van het gebruik voor aan huis gebonden nevenactiviteiten en kantoor- en praktijkruimten niet meer bedraagt dan 50 m2;
  • c. het onbebouwde gedeelte van het perceel niet wordt gebruikt voor de beoogde activiteit, met uitzondering van parkeervoorzieningen;
  • d. de nevenactiviteit geen detailhandel betreft;
  • e. de beoogde activiteit geen ontwikkeling tot gevolg heeft waarop de bestaande nutsvoorzieningen, wegen en parkeervoorzieningen niet zijn afgestemd;
  • f. van tevoren in voldoende mate is verzekerd dat het beoogde gebruik geen ontoelaatbare invloed heeft op het woon- en leefmilieu van de omliggende woningen.
29.5 Bijbehorende bouwwerken op een grotere afstand van de woning

Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het plan voor de bouw van bijbehorende bouwwerken ten dienste van woningen, voor zover deze woningen in het plan zijn opgenomen met bestemming 'Wonen', indien en voor zover:

  • a. de afstand tot de achtergevel van het hoofdgebouw van de bijbehorende woning niet meer bedraagt dan 70 m;
  • b. de gronden waarop het bijbehorende bouwwerk wordt gerealiseerd in eigendom zijn of worden gepacht, waarbij ingeval van pacht sprake moet zijn van een bij de Grondkamer geregistreerd langlopend pachtcontract;
  • c. de gronden deel uitmaken van het bij de desbetreffende woning behorende en direct en ononderbroken aansluitende perceel;
  • d. de regels ten aanzien van bijbehorende bouwwerken zoals deze zijn opgenomen in de bestemming 'Wonen' in acht worden genomen, met inbegrip van de mogelijkheden waarin de afwijkingsregels, met de bijbehorende voorwaarden, in de bestemming 'Wonen' voorzien.
29.6 Evenementen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor het gebruik van gronden voor het houden van meerdaagse evenementen, waaronder worden verstaan kermissen, jaarmarkten, tentfeesten en daarmee vergelijkbare evenementen.

29.7 Grenzen en aanduidingen

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan ten behoeve van:

  • a. het afwijken van bestemmingsgrenzen, bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein en er geen dringende redenen zijn die zich tegen de afwijking verzetten, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer bedraagt dan 2,5 m;
  • b. het afwijken van bouwgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, niet zijnde bestemmingsgrenzen, indien en voor zover afwijking noodzakelijk is uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de grond, mits de afwijking ten opzichte van hetgeen in het plan is aangegeven niet meer bedraagt dan 2,5 m;
  • c. de bestemmingsbepalingen ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot niet meer dan 10 m.
29.8 Nutsvoorzieningen

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan ten behoeve van de bouw van bouwwerken voor nutsvoorzieningen zoals pompgemalen, verdeel-, regel- of transformatorruimten, telefooncentrales, telefooncellen, geldautomaten en abri's, waarvan de inhoud niet meer mag bedragen dan 50 m3 en de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 m, alsmede voor beeldhouwwerken en daarmee gelijk te stellen kunstzinnige elementen met geen grotere bouwhoogte dan 6 m en lichtmasten en vlaggenmasten met geen grotere bouwhoogte dan 10 m.

29.9 Kleinschalige voorzieningen in de toeristische en recreatieve sector

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor het gebruik van gronden ten behoeve van kleinschalige voorzieningen in de toeristische en recreatieve sector, mits voldaan wordt aan het volgende:

  • a. de voorzieningen zijn uitsluitend toegestaan in het achtererfgebied;
  • b. op eigen terrein dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid;
  • c. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van het woon- en leefmilieu;
  • d. er vindt geen milieubelemmering plaats voor omliggende functies en bedrijven;
  • e. er vindt geen onevenredige aantasting plaats van de verkeersveiligheid;
  • f. er ontstaat geen onevenredige verkeers- en parkeeroverlast voor de omgeving.
29.10 Monumenten
29.10.1 Herstel / herbouw

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor de instandhouding, dan wel het herstel of de herbouw van bouwwerken, indien en voor zover de instandhouding, dan wel het herstel of de herbouw, noodzakelijk is om te voldoen aan het bepaalde in de Monumentenwet, dan wel de gemeentelijke Monumentenverordening.

29.10.2 Bouwwerken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor het bouwen van bouwwerken op een erf dat behoort bij een Rijks- of gemeentelijk monument, mits:

  • a. de bouwwerken een meerwaarde geven aan de (het) aanwezige (ensemble van) monumentale bebouwing;
  • b. alle niet bij het monumentale karakter passende bebouwing wordt gesloopt;
  • c. de gemeentelijke monumentencommissie is gehoord en een positief advies heeft gegeven.
29.10.3 Extra woning monument / karakteristiek pand

Het bevoegd gezag kan, gehoord de gemeentelijke monumentencommissie, eenmalig bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepalingen van het plan voor de realisering van één extra woning, indien en voor zover:

  • a. de extra woning wordt gerealiseerd binnen de bestaande inhoud van een gebouw dat tevens is aangemerkt als Rijksmonument of gemeentelijk monument overeenkomstig de Monumentenwet of de gemeentelijke Monumentenverordening, dan wel is aan te merken als karakteristiek en wordt gerealiseerd met als oogmerk de karakteristiek van het desbetreffende gebouw in stand te houden, dan wel te herstellen, en;
  • b. de extra woning een inhoud heeft van tenminste 300 m3.

Artikel 30 Algemene wijzigingsregels

30.1 Archeologische waarden
30.1.1 Verwijderen dubbelbestemming

Burgemeester en wethouders kunnen het plan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wet ruimtelijke ordening, wijzigen ten aanzien van de gronden met de bestemmingen 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 1' of 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 2', 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 3' of 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied', waarbij de bestemming geheel of gedeeltelijk vervalt indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betreffende gronden geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, dan wel er niet langer archeologische begeleiding of zorg nodig is.

30.1.2 Toevoegen dubbelbestemming

Burgemeester en wethouders kunnen het plan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wet ruimtelijke ordening, wijzigen waarbij gronden alsnog worden bestemd tot 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 1' of 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 2', 'Waarde - Archeologisch onderzoeksgebied 3' of 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied', indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat ter plaatse behoudenswaardige archeologische waarden aanwezig zijn.

30.2 Nutsvoorzieningen

Burgemeester en wethouders kunnen het plan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 lid 1 sub a van de Wet ruimtelijke ordening, wijzigen waarbij gronden worden bestemd voor de bouw van bouwwerken voor verdeel-, regel- en transformatorruimten, met dien verstande dat:

  • a. de bouwhoogte niet meer dan 5 m mag bedragen;
  • b. de inhoud niet meer dan 150 m3 mag bedragen.

Artikel 31 Overige regels

31.1 Werking bestemmingsplannen

Op de gronden waar:

blijven de bestemmingsplannen van toepassing zoals die gelden op het moment voorafgaand aan vaststelling van dit plan, met uitzondering van hetgeen in die bestemmingsplannen is bepaald omtrent waterkeringen en vrijwaringszones bij dijken.

Op de gronden waar:

blijven de bestemmingsplannen van toepassing zoals die gelden op het moment voorafgaand aan vaststelling van dit plan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 32 Overgangsrecht

32.1 Overgangsrecht bouwwerken
32.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
32.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 32.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 32.1.1 met maximaal 10 %.

32.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in 32.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

32.2 Overgangsrecht gebruik
32.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

32.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in 32.2.1 , te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

32.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 32.2.1 , na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

32.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in 32.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 33 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Buitengebied, vierde herziening.

december 2013.